FOSSIELEN

Zie Wikipedia: paleontologie, klik hier.

Zie Wikipedia: fossiel, klik hier.
Zie Fossielnet: fossiel, klik hier.

Zie Wikipedia: dinosauriërs, klik hier.
Zie members.home: dinosauriërs, klik hier.

Zie Wikipedia: paleoantropologie, klik hier.
Zie Wikipedia: evolutie van de mens, klik hier.
Zie Universiteit Gent: evolutietheorie, klik hier.
Zie Wikibooks: de menselijke evolutie, klik hier.

Zie Wikipedia: fossiele brandstoffen, klik hier.

Definitie

Fossielen zijn herkenbare organische resten of sporen van flora en fauna, die in de aarde bewaard zijn gebleven.
Sommigen voegen hieraan toe 'en die ouder zijn dan 10.000 jaar'. Dat wil dus zeggen, van vóór het Holoceen.


Begrippen

Fossilisatie: het ontstaan van een fossiel uit een organisme.
Pseudofossiel: Is geen fossiel, maar kan door zijn uiterlijk de indruk wekken een fossiel te zijn. Dit komt nogal eens voor bij concreties, vooral bij vuursteen.
Pseudomorf fossiel: een fossiel dat is ontstaan, doordat tijdens de fossilisatie een ander materiaal het oorspronkelijke heeft vervangen.
Faciësfossiel: een fossiel van een organisme, dat beperkt is tot bepaalde omstandigheden in een speciale omgeving.
Juveniel fossiel: een fossiel van een jong exemplaar van een organisme.
Microfossielen: fossielen van microscopisch kleine afmetingen die alleen onder een microscoop goed zichtbaar.
Macrofossielen: met het blote oog zichtbare fossielen.
Mesofossielen: de groep daar tussenin, met afmetingen tussen ca. 1 en 2,4 mm.
Nannofossielen: de allerkleinste groep, kleiner dan ca. 0,03 mm, meestal uitgedrukt in mu.


Ontstaan van fossielen
  1. Als complete organismen of als harde delen van organismen, al dan niet versteend of verstevigd door binnendringende mineralen.
  2. Afdrukken of sporen op of in omringend gesteente.
  3. Steenkernen of sporen op binnengedrongen gesteente of afdrukken van interne structuur.
  4. Vervanging. Het organische materiaal is vervangen door bv. kiezelzuur of pyriet, waarbij de vorm bewaard is gebleven. Een variant hierop is inkoling of carbonisatie. Het is de omzetting in en verrijking van koolstof, zoals bv. bij steenkool.
  5. indirecte sporen. Voorbeelden: graafgangen, vraatsporen, voet- of kruipsporen, boorgaten van mosselen.


Een voorwaarde voor fossilisatie is over het algemeen een snelle bedekking met sediment of andere conserverende omstandigheden. Goede en gave fossilisatie is uiterst zeldzaam. Dat men toch nog zo enorm veel fossielen aantreft, is te danken aan het onnoemelijk grote aantal organismen, dat heeft geleefd in de onvoorstelbaar lange geologische geschiedenis van de aarde.
De overigens schaarse puntgave fossielen zijn te danken aan het procentueel zeer kleine aantal bijzondere gevallen, zoals het invriezen in ijs, dat bewaard is gebleven als permafrost en het inkapselen in barnsteen of pek.
Ook kan een organisme voor kortere of langere tijd worden geconserveerd onder uitzonderlijke omstandigheden, zoals bv. door droogte. Men spreekt dan van mummificatie of door anaerobe (anoxisch omstandigheden), m.a.w. onder afsluiting van zuurstof. Vb. Posidonia in leisteen.
Ook het bestuderen van fossiele fragmenten kan een grote bijdrage leveren tot de kennis van organismen.
Hierbij zijn er twee mogelijkheden:
  1. de gevonden fragmenten kunnen op zichzelf aanwijzingen bevatten, die van belang zijn.
  2. als van een organisme de fossiele vorm van het geheel bekend is, dan kan een fragment door vergelijking vaak worden toegewezen aan een soort.

Fossielen van zeegrasKlik hier
Posidonia oceanicaKlik hier
Posidoniaschalie Klik hier


Nog enkele begrippen

allochtoon: binnengekomen uit een ander gebied of milieu, hetzij levend, na het sterven of als fossiel.
Extra uitleg: allochtoon(persoon) klik hier en allochtoon(geologie) klik hier.

autochtoon: is inheems. Steeds levend in een speciaal gebied of milieu. NB. De plaats van sterven en van de vondst van het fossiel is ook de plaats van leven.
Extra uitleg: autochtoon (antropologie) klik hier en autochtoon (geologie) klik hier en autochtone bomen en struiken klik hier.

associatie: het samenleving van planten en dieren.
Extra uitleg: ecologie, klik hier.

benthos: bodembewoners.
Extra uitleg: benthos, klik hier.

biogenetische verschijnselen: veroorzaakt door organismen.
Extra uitleg: biogenetische verschijnselen, klik hier.

biosfeer: het bovenste deel van de aardkorst, het aardoppervlak en het laagste deel van de atmosfeer, dat wordt bewoond door organismen.
Extra uitleg: biosfeer, klik hier.

endemisch: behorend tot, voorkomend in een beperkt geografisch gebied.
Extra uitleg: endemisch, klik hier.

ensemble: een leefgemeenschap van organismen.
Extra uitleg: ecosysteem, klik hier.

fauna: het geheel van alle dierlijke leven.
Extra uitleg: fauna, klik hier en klik hier.

flora: het geheel van het plantaardig leven.
Extra uitleg: flora, klik hier.

fytoplankton: plantaardig plankton.
Extra uitleg: fytoplankton, klik hier.

kolonie: een leefgemeenschap van afhankelijke organismen.
Extra uitleg: kolonie (biologie), klik hier.

metabolisme: stofwisseling van organismen.
Extra uitleg: metabolisme, klik hier.

metamorfose: in de biologie: gedaanteverwisseling gedurende de levensfasen van een dier.
Extra uitleg: metamorfose, klik hier.

morfologie: in paleontologie: de vorm van een organisme als geheel of in zijn algemene kenmerken.
Extra uitleg: morfologie (biologie), klik hier.

nannoplankton: plankton kleiner dan 0.03 mm.
Extra uitleg: nannoplankton, klik hier.

nekton: het geheel van vrijzwemmende dieren in water.
Extra uitleg: nekton klik hier.

ontogenese: de ontwikkeling van individu tot volwassenheid.
Extra uitleg: ontogenese, klik hier.

paleozoölogie en paleobotanie: de studie van fossiele dieren, resp. planten en hun voorkomen in de tijd.
Extra uitleg: paleozoölogie en paleobotanie, klik hier en klik hier.

palynologie: de studie van pollen of stuifmeelkorrels, sporen en van andere microfossielen.
Extra uitleg: palynologie, klik hier.

pandemisch: wijdverbreid voorkomend.
Extra uitleg: pandemie, klik hier.

pelagisch: in open water, zee, meren, vrij van de bodem levend.
Extra uitleg: pelagisch, klik hier.

plankton: het geheel van drijvende of zwevende planten en diertjes in water.
Extra uitleg: klik hier.

populatie: een groep individuen of exemplaren.
Extra uitleg: populatie, klik hier.

sedentair: levende organismen, die zich niet of nauwelijks verplaatsen.
Extra uitleg: sedentair, klik hier.

sessiel: zich niet verplaatsend.
Extra uitleg: sessiel, klik hier.

vagiel: vrij bewegende organismen.
Extra uitleg: vagiel, klik hier.

zoöplankton: dierlijk plankton.
Extra uitleg: zoöplankton, klik hier.

Combineer een element links met een element rechts. Je kan selecteren uit het uitrolmenu. Als al de vragen zijn opgelost klik je op de toets "Controleer". Je kan nu nog je foute antwoorden verbeteren.
*
Herkenbare organische resten of sporen van flora en fauna,
die in de aarde bewaard zijn gebleven.
*
Het geologische tijdvak van 11.700 jaar geleden tot nu.
*
Het ontstaan van een fossiel uit een organisme.
*
Geen fossiel, maar kan door zijn uiterlijk de indruk
wekken een fossiel te zijn.
*
Een bolvormige of ovale, geïsoleerde vorm uit formaties
van afzettingsgesteenten.
*
Andere naam voor keisteen, silex of flint. Het is een gesteente
dat vaak in klompen in kalksteen wordt aangetroffen en meestal
bruin of grijs van kleur is.
*
Een fossiel dat is ontstaan, doordat tijdens de fossilisatie
een ander materiaal het oorspronkelijke heeft vervangen.
*
Een fossiel van een organisme, dat beperkt is tot bepaalde
omstandigheden in een speciale omgeving.
*
Een fossiel van een jong exemplaar van een organisme.
*
Fossielen van microscopisch kleine afmetingen die
alleen onder een microscoop goed zichtbaar.
*
Een duizendste deel van een millimeter.
*
Met het blote oog zichtbare fossielen.
*
De groep fossielen met afmetingen tussen ca. 1 en 2,4 mm.
*
Een zwak zuur dat is afgeleid van siliciumdioxide SiO2.
In verdunde oplossing zijn er een aantal vormen, die allemaal de
algemene formule SiO2.n H2O bezitten,
waarbij n kan verschillen. Indien n watermoleculen per twee moleculen
zuur aanwezig is wordt dat genoteerd met.
*
De omzetting van organisch materiaal naar pure koolstof,
meestal in de vorm van het mineraal grafiet of een residu dat koolstof bevat.
*
Een mineraal met als formule FeS2 (scheikundige naam: ijzerdisulfide).
Het mineraal is een belangrijk ijzer- en zwavelerts.
*
Een fossiele brandstof die bestaat uit afzettingen van
plantenresten die in het geologisch verleden zijn gevormd.
*
Het verschijnsel dat in bepaalde gebieden nabij de polen
en in het hooggebergte de ondergrond nooit helemaal ontdooit.
*
Een fossiele hars die afkomstig is van naaldbomen.
*
Een zwarte, brandbare, en uiterst stroperige vloeistof die
overblijft na de destillatie van houtteer of steenkoolteer.
*
Indrogen van dode lichaamsdelen; afgestorven weefsel dat indroogt.
*
Zonder lucht plaatsvindend of kunnen leven, waarbij met "lucht"
zuurstof bedoeld wordt.
*
Organismen kunnen niet overleven in aanwezigheid van zuurstofgas,
of anders gezegd zuurstofgas is toxisch voor deze bacteriën.
*
Organismen kunnen in aanwezigheid van zuurstof aeroob dissimileren,
maar overleven ook via zuurstof-onafhankelijke processen
*
Organismen hebben wel zuurstof nodig maar gedijen het best bij lage
zuurstofspanning.
*
Organismen zijn in principe anaeroob, maar verdragen wel de
aanwezigheid van zuurstof (bijv. melkzuurbacteriën).
*
Ander woord voor "zonder zuurstof".
*
De botanische naam van een geslacht van zeegras,
behorend tot de familie van Posidoniaceae.
*
De naam van een gesteente (Engels: slate; Duits: Schiefer)
dat veel als dakbedekking wordt gebruikt.
*
Een geologische formatie bestaande uit grijze tot zwarte schalie
uit het Vroeg-Jura (Lias of zwarte Jura), om precies te zijn behoort de formatie
tot het Toarcien (ongeveer 183 tot 176 miljoen jaar geleden)
*
Binnengekomen uit een ander gebied of milieu, hetzij levend,
na het sterven of als fossiel.
*
Zie tekening!
overschuiving.jpg
Het grijze gesteente van de nappe noemt men in de geologie
*
Inheems en steeds levend in een speciaal gebied of milieu.
In de antropologie noemt men de inheemse bevolking ook
*
Hoe noemt men het samenleving van planten en dieren.
*
De studie van de dynamiek van de wisselwerking tussen organismen, populaties
of levensgemeenschappen (de biotische milieufactoren) en de relaties
tussen organismen, populaties, levensgemeenschappen of landschappen en de
niet-biologische omgeving (de abiotische milieufactoren).
*
De wetenschappelijke naam voor alle organismen die leven op
de bodem van zoete en zoute wateren.
*
Verschijnselen veroorzaakt door organismen.
*
Het bovenste deel van de aardkorst, het aardoppervlak en het
laagste deel van de atmosfeer, (de hydrosfeer, de atmosfeer
en de lithosfeer) dat wordt bewoond door organismen.
*
Andere naam voor dierlijk plankton.
*
Andere naam vrij bewegende organismen.
*
In de biologie de eigenschap van een organisme dat zich
niet kan voortbewegen.
*
Een organisme dat zich niet kan voortbewegen of in de
botanie bladeren van een plant die direct aan de stam bevestigd zitten.
*
Levende organismen, die zich niet of nauwelijks verplaatsen.
*
Een groep individuen of exemplaren.
*
Het geheel van drijvende of zwevende planten en diertjes in water.
*
In open water, zee, meren, vrij van de bodem levend.
*
Wijdverbreid voorkomend.
*
Een epidemie op wereldwijde schaal.
*
De studie van pollen of stuifmeelkorrels, sporen en van andere microfossielen.
*
De studie van fossiele dieren en hun voorkomen in de tijd.
*
De studie van fossiele planten en hun voorkomen in de tijd.
*
De ontwikkeling van individu tot volwassenheid.
*
Het geheel van vrijzwemmende dieren in water.
*
Plankton kleiner dan 0.03 mm.
*
In paleontologie: de vorm van een organisme als geheel
of in zijn algemene kenmerken.
*
In de biologie: gedaanteverwisseling gedurende de
levensfasen van een dier.
*
Stofwisseling van organismen.
*
Een leefgemeenschap van afhankelijke organismen.
*
Plantaardig plankton.
*
Het geheel van het plantaardig leven.
*
Het geheel van alle dierlijke leven.
*
Een leefgemeenschap van organismen.
*
Behorend tot, voorkomend in een beperkt geografisch gebied.