De atmosferische circulatie of algemene circulatie is in de
meteorologie de verplaatsing op grote schaal van
lucht in de atmosfeer. Atmosferische circulatie is samen met
oceanische circulatie de manier waarop
warmte door
convectie wordt
verspreid over het aardoppervlak.
Deze luchtstromingen worden bepaald door de ligging van
hoge- en
lagedrukgebieden.
Meteorologen onderscheiden verschillende circulatietypes die bij bepaalde weersomstandigheden horen.
De dominante
windrichting over het aardoppervlak en de
straalstromen hoger in de atmosfeer worden beschreven door drie zogenaamde circulatiecellen, die ruwweg liggen in zones van 30
breedtegraden: de
polaire cellen (tussen de pool en de 60e breedtegraad), de
Ferrelcellen (tussen 60e en 30e breedtegraad) en de
Hadleycellen (tussen 30e breedtegraad en de
evenaar). De circulatiecellen geven aan wat de dominante windrichting (noord/zuid) is op een bepaalde breedtegraad en bepalen ook in welke zones meestal hoge- of lagedrukgebieden liggen. Hoewel dit een eenvoudig patroon lijkt, is de werkelijkheid ingewikkelder: er is bijvoorbeeld binnen de tropen niet één Hadleycel maar een aantal cellen, die kunnen verschuiven, zich splitsen en samengaan in de loop der tijd. Als men het over het klimaat (het gemiddelde weer over een langere periode) heeft, wordt echter meestal van een enkele cel gesproken.
Doordat de gebieden op de evenaar het meeste zonlicht krijgen, ontvangen deze gebieden op Aarde de meeste warmte. Hierdoor ontstaat er een opgaande luchtstroom tot de
tropopauze, waar de stroming afbuigt en richting de polen stroomt. Daarbij koelt de lucht af en ongeveer bij de 30e breedtegraad daalt de lucht weer om vervolgens over het aardoppervlak terug te stromen naar de evenaar, waarmee een complete Hadleycel voltooid is. Door de dalende luchtstromen op de 30e breedtegraad liggen daar de
woestijnen, omdat dalende lucht weinig vocht bevat en een hogedrukgebied veroorzaakt. Vanaf de polen stroomt koude lucht over het aardoppervlak en bij ongeveer de 60e breedtegraad is de lucht voldoende opgewarmd om op te stijgen en hoger in de atmosfeer terug te stromen naar de polen. Dit zijn de polaire cellen. Bij de 60e breedtegraad ontstaan vaak depressies, omdat opstijgende lucht lagedrukgebieden veroorzaakt en vocht moet verliezen.
Zowel de polaire als Hadleycellen worden thermisch bepaald, ze zijn een gevolg van de convectie van lucht, het gevolg van temperatuurverschillen. De circulatie in deze cellen wordt aangedreven doordat warme lucht aan de oppervlakte opstijgt, naar hogere delen van de atmosfeer beweegt, daar afkoelt en vervolgens elders weer daalt. De Ferrelcellen ertussenin zijn een direct gevolg van de twee andere cellen, en daarom een secundair verschijnsel. De theoretische luchtstroming in Ferrelcellen is daarom minder duidelijk aanwezig dan die in de andere twee typen circulatiecellen.
De breedtegraad waar de Zon recht boven het aardoppervlak staat (de zogenaamde
thermische evenaar), verschuift met de seizoenen. Tijdens de
zomerzonnewende staat de Zon boven de
Kreeftskeerkring, tijdens de
winterzonnewende boven de
Steenbokskeerkring, en op andere momenten ergens ertussenin. Alleen tijdens de
equinoxen (op of rond 20 maart en 23 september) staat de Zon precies boven de evenaar. De circulatiecellen volgen de beweging van de Zon met een vertraging en verschuiven dus jaarlijks mee met de beweging van de Zon.