Sociale geografie is de
sociale wetenschap die
maatschappelijke verschijnselen in heden en verleden bestudeert vanuit een ruimtelijke (
geografische) invalshoek.
BeschrijvingDe ruimtelijke invalshoek is het meest kenmerkende van de sociale geografie. Het gaat in eerste instantie om het 'waar' en het 'waarom daar' van sociale verschijnselen waar dan ook op aarde. Daarnaast stelt de sociale geografie de vraag of een verschijnsel 'wenselijk' is en eventueel veranderd moet worden. Deze beleidsmatige benadering vormt een overgangsgebied met de
planologie. Andere, verwante sociale wetenschappen zijn de
sociologie,
antropologie,
economie en de
politicologie. Met specialisaties van deze wetenschappen bestaat overlap in onderwerp en aanpak, in bijvoorbeeld de
stadssociologie, de
regionale economie en de
rurale sociologie.
De benadering van geografisch relevante verschijnselen varieert in de loop van de
wetenschapsgeschiedenis van de (sociale) geografie. Om enige ordening aan te brengen in de veelheid van zienswijzen, is de indeling die de Amerikaanse geograaf N.D. Pattison maakte in 1964, nog steeds bruikbaar. Hij onderscheidde:
- Ruimtelijke traditie (spatial tradition). Het accent ligt op ligging, afstand, vorm, beweging en spreiding van verschijnselen op aarde
- Gebiedsgerichte traditie (area studies tradition). Men concentreert zich op de beschrijving van specifieke geografische gebieden. Tegenwoordig is 'regionale geografie' de meest gangbare benaming voor deze benadering. In de tweede helft van de 20e eeuw is deze manier van werken op de achtergrond geraakt (te inventariserend en te weinig analyserend), maar de laatste decennia laten een herleving zien. Er wordt nu gesproken van een 'nieuwe regionale geografie'.
- De mens-aardetraditie (man-land tradition). Het gaat hierbij vooral om de interactie tussen mens en natuurlijke omgeving. Het fysisch-geografisch determinisme en het possibilisme zijn twee uitersten bij het antwoord op de vraag of de mens onderworpen is aan het natuurlijk systeem of dat hij creatief gebruikmaakt van de mogelijkheden die de natuur biedt.
- De aardwetenschappelijke traditie (earth science tradition). Valt vrijwel geheel samen met wat nu fysische geografie wordt genoemd.
OntwikkelingGeografische
kennis is zo oud als de mensheid zelf, omdat de mens nu eenmaal kennis van de woonomgeving nodig heeft om te kunnen bestaan. Al de eerste mensen hadden nood aan een beeld van de wereld, zij waren immers zwervende volkeren die leefden van wat ze onderweg vonden. Het uitstippelen van goede routes was levensnoodzakelijk. Eerst werd de informatie mondeling doorgegeven, uiteindelijk gebeurde dit via min of meer bruikbare geografische kaarten. Het woord geografie heeft een Griekse oorsprong en betekent letterlijk aardbeschrijving.
OudheidEr is weinig bekend van de geografische kennis van de
Mesopotamische en
Egyptische culturen. Toch organiseerden zij al verkenningstochten, die meestal van militaire aard waren. Ze reisden alleszins vooral over land.
De
Feniciërs waren zeelui. Ze leefden op een smalle kuststrook en waren voortdurend op zoek naar nieuwe afzetmarkten. Daarom verkenden ze vooral de kusten van de
Middellandse Zee.
In de Griekse Oudheid ontstonden de eerste meer systematisch opgezette geografieën. Bekende geografen of auteurs van geografisch getinte werken zijn onder andere
Eratosthenes (ca. 284 - ca. 204 v.Chr.), die als eerste een handboek over algemene geografie schreef,
Ptolemaeus (ca. 85 - ca. 150) en
Strabo (ca. 64 v.Chr. – ca. 20 na Chr.). Strabo schreef de 17-delige Geographia gebaseerd op gegevens van honderden andere auteurs. Tot in de Middeleeuwen werd er onder andere in schoolboeken van dit werk gebruikgemaakt. Al in de Grieks-Romeinse Oudheid kon een onderscheid worden gemaakt tussen een mathematisch-cartografische traditie (Ptolemaeus) en een historiografische traditie (een soort land- en volkenkunde vermengd met geschiedenis.
De MiddeleeuwenTijdens de Middeleeuwen waren het vooral monniken die wat aan wetenschap deden. Ze waren op de hoogte van een deel van de kennis uit de Oudheid. Bovendien kregen ze informatie van reizigers, kooplui en soldaten. Toch was de bijbel in deze periode de tekst met het meeste gezag. Al deze kennis trachtten de monniken met elkaar te verzoenen. Dit had als resultaat dat naarmate de beschreven gebieden verder lagen, de voorstellingen fantasierijker waren.
De enige middeleeuwse verkenningen uit het westen waren de tochten van de
Noormannen aan het einde van de 10e eeuw uit
Ierland en
Scandinavië naar
IJsland,
Groenland en Vinland (vermoedelijk
Noord-Amerika). De verkenners van deze gebieden waren vooral politieke bannelingen die op zoek gingen naar nieuw bewoonbaar land.
De radkaarten (een middeleeuws type van wereldkaart waarbij de oceaan een cirkelvormig aardeiland omgeeft.) Bv.
T-O-kaarten waren de meest voorkomende middeleeuwse wereldvoorstellingen. De bewoonde wereld werd daarbij voorgesteld als een cirkelvormige schijf. In het centrum van dit wereldbeeld lag steeds
Jeruzalem. Het oosten ligt bijna altijd bovenaan. De landmassa werd door een 'T' van water in drie stukken verdeeld. De 'T' bestond uit de verbinding van de
Donau met de
Nijl enerzijds en de Middellandse Zee anderzijds.
Azië lag daarbij bovenaan,
Europa linksonder en
Afrika rechtsonder. Alleen de kustlijnen van het Middellandse Zeegebied werden goed voorgesteld, de andere kusten en de binnenlanden waren gefantaseerd. Deze kaarten hadden een religieus doel, ze dienden als versiering bij beschrijvingen van de wereldgeschiedenis vanaf de schepping. Soms werden ze ook als altaarstukken gebruikt. Daarom had de godsdienstige inhoud de overhand op de werkelijkheid.
Door de toenemende handelscontacten tussen de middeleeuwse steden zou dit echter veranderen. Men had immers steeds meer nood aan meer werkelijkheidsgetrouwe kaarten. Toch zou het op religie gebaseerde wereldbeeld slechts langzaam wijken voor de feitelijke observaties.
De
portulanen waren kaarten waarop de kusten, riviermonden en havens nauwkeurig geregistreerd waren. Via de
islam kwam het
kompas in Europa in gebruik. De schippers hadden kaarten nodig die hielpen de juiste koers tussen handelssteden te bepalen. Deze portulanen werden naar het
magnetische noorden gericht. De eerste portulanen verschenen aan het einde van de 13e eeuw.
RenaissanceIn de
Renaissance herleeft de belangstelling voor de geografische werken uit de Klassieke Oudheid. Met name het werk van Ptolemaeus is invloedrijk.
16e eeuwIn de 16e eeuw was de Zuid-Nederlandse
cartografie toonaangevend.
Antwerpen en
Amsterdam werden de grote wereldhavens waar alle informatie over nieuwe handelsroutes en pas geëxploreerde gebieden binnenkwam. Belangrijke cartografen waren onder meer
Jacob van Deventer,
Frans Hogenberg,
Abraham Ortelius en
Gerard Mercator.
17e eeuwIn de 17e eeuw nam Noord-Nederland het cartografische roer van Vlaanderen over, met namen als
Hondius en
Kaerius (twee uitgeweken Vlamingen),
Blaeu,
Janssonius,
Visscher enz. Allen hadden ze zich in Amsterdam gevestigd, het nieuwe belangrijke kaartuitgeverscentrum van Europa. Hier kwam de globeconstructie tot verdere ontwikkeling en bloei. Oorspronkelijk waren deze hemel- en wereldbollen als werkinstrumenten voor zeelui bedoeld geweest, maar al spoedig werden ze als naslagwerken en zelfs als interieurversiering in onder meer bibliotheken en herenhuizen gebruikt.
In tegenstelling tot het zeevarende noorden kwam in Frankrijk de vraag naar bruikbare kaarten niet zozeer van zee- en kooplui, maar van welstellende burgers en edellieden met een grote belangstelling voor geografie. De cartografie diende er eerder als vrijetijdsbesteding. Tegen het jaar 1700 bereikte de Franse cartografie een even hoog niveau als in het noorden. De stimulans ging daarbij ook uit van het koninklijke hof. De ambitieuze
Lodewijk XIV ging de cartografie beschouwen als een instrument in dienst van zijn expansiepolitiek. Kaarten en atlassen moesten zijn veldtochten en veroveringen verheerlijken.
18e eeuwDe 18ee eeuw betekende een revolutionaire omwenteling in de systematische
topografische cartografie. Vanaf die periode was ze gebaseerd op nauwkeurigheidsmetingen, dankzij de enorme ontwikkeling van wetenschappelijke instrumenten zoals de
optische topografische kijkers en de uitvinding van de
telescoop. Een belangrijke naam was graaf
Joseph de Ferraris, die de opdracht kreeg van het keizerlijke hof de
Oostenrijkse Nederlanden in kaart te brengen.
In de 18e eeuw wordt de ontwikkeling van de geografie gestimuleerd door de voortgaande exploratie van gebieden buiten Europa. Er was een dringende behoefte om de tijdens allerlei expedities verkregen kennis systematisch te classificeren en te beschrijven. Als ruimtelijke eenheden voor deze beschrijvingen koos men of voor politieke eenheden (Staatengeographie of politieke geografie genoemd) of voor natuurlijke eenheden (delta's, stroomgebieden, laagvlakten etc.).
Eerste helft 19e eeuwHet geografisch werk in de eerste helft van de 19e eeuw werd beheerst door de opvattingen van twee Duitse geografen:
Alexander von Humboldt (1796-1859) en
Carl Ritter (1779-1859). Beide geleerden legden de basis voor een 'vergleichende Erdkunde'. Op basis van nauwgezette beschrijvingen van geografisch relevante verschijnselen probeerde men een verklaring te vinden voor de geconstateerde samenhang. Doordat er tevens aandacht werd gevraagd voor het historische element kwam de geografie los van de pure feitenopsomming van de eeuwen daarvoor.
Darwins invloedIn 1859, het jaar van het overlijden van Von Humboldt en Ritter, verscheen
Darwins Origin of species. Het werk had grote invloed op de ontwikkeling van de wetenschap, de geografie niet uitgezonderd. Darwins concepten als 'struggle for life' en 'survival of the fittest' pasten niet meer in de natuuropvatting van Von Humboldt, waarin de natuur als een harmonisch geheel werd gezien. Het teleologisch verklaringsmodel van Ritter (het verwijzen naar een goddelijke voorzienigheid als verklaring voor processen en verschijnselen) werd vervangen door een mechanistisch verklaringsmodel, waarin oorzaak en gevolg verklaard moesten worden door de toepassing van natuurwetten. Het betekende dat er in deze periode veel aandacht was voor fysisch-geografische verschijnselen.
Eind 19e eeuw – begin 20e eeuwDoor ontwikkelingen op politiek en economisch gebied in de laatste 30 jaar van de 19e eeuw kwam de geografie in een stroomversnelling. Geografische wetenschappers verschaften de noodzakelijke kennis voor de snelle ontwikkeling van handel en industrie. Daarmee werd ook een belangrijke bijdrage geleverd voor het bereiken van de imperialistische doelstellingen van landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland. In afzonderlijke artikelen wordt aandacht geschonken aan:
- De ecologische geografie (Duitsland)
- Het fysisch-geografisch determinisme
- De geopolitiek
- De ecologische geografie (Frankrijk)
- De chorologische geografie
- De cultuurlandschapsgeografie zie Culturele geografie
- De ontwikkeling van de Nederlandse sociale geografie
In de laatste zestig jaar is er in de sociale geografie veel veranderd, zowel kwalitatief als kwantitatief. Kwantitatief omdat de discipline in de laatste zestig jaar enorm is gegroeid. Kwalitatief omdat ze ten opzichte van de geografie van voor de
Tweede Wereldoorlog grondig van opvattingen is veranderd. We onderscheiden drie hoofdstromen in het denken over sociale geografie sinds de Tweede Wereldoorlog:
- Ruimtelijke analyse en behaviorale geografie
- Humanistische geografie
- Maatschappijkritische geografie
Eind 20e eeuwIn de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw komt de culturele geografie of ook wel cultuurgeografie hernieuwd in de aandacht. Onder invloed van onder anderen
Michel Foucault ontstond er binnen de sociale wetenschappen een hernieuwde aandacht voor het ruimtelijk gedrag. Geholpen door invloed van technologische ontwikkelingen zoals het
geografisch informatiesysteem en
teledetectie kwam er sinds de jaren negentig een
paradigmawisseling waarbij ruimte ook in andere disciplines een sociale constructie is geworden. Geografie is hiermee een volwaardig onderdeel geworden van een interdisciplinaire benadering binnen de verschillende sociale wetenschappen.
Geografie en theorieDe geografie heeft weinig theorieën of wetten die uitsluitend in deze discipline worden gebruikt. Vele theorieën worden ontleend aan verwante sociale wetenschappen, zoals de economie, sociologie en psychologie. Of de geografie ontleent haar theorieën en basisprincipes aan andere stromingen, zoals het marxisme (
marxistische geografie en
maatschappijkritische geografie) of
feminisme (
feministische geografie). De meest geografische theorieën in de geografie zijn misschien de
centrale-plaatsentheorie van
Walter Christaller, toepassingen van het graviteitsmodel (zie
Graviteitsmodel in de geografie), het
innovatiediffusiemodel van
Hägerstrand, de deterministische benadering van
Ratzel, de theorie van
cumulatieve causatie van
Gunnar Myrdal en op dit moment van
evolutiebioloog Jared Diamond.
De culturele geografie (ook wel cultuurgeografie) is een specialisatie binnen het brede werkveld van de sociale geografie, die bijzondere waarde hecht aan sociaal-culturele aspecten bij het analyseren en verklaren van ruimtelijke processen. Deze specialisatie heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld uit de cultuur(landschaps)geografie van
Otto Schlüter en
Carl Ortwin Sauer.
Begin 20e eeuw: Otto SchlüterOtto Schlüter (1872-1959) zag het
landschap als het centrale object van de geografie. Alles wat daar niet onder valt, bracht hij onder bij de
politieke geografie. Het ging om het zichtbare landschap, dat volgens hem in feite een afspiegeling is van de cultuur van de menselijke groep. Hij maakte een onderscheid tussen '
cultuurlandschap' en '
natuurlandschap', hoewel het onderscheid tussen deze twee typen niet altijd eenvoudig aan te geven is. Mede dankzij het werk van Schlüter ontwikkelde het landschapsbegrip zich tot een van de centrale aandachtspunten in de
Duitse geografie van de eerste helft van de twintigste eeuw.
Het landschapsbegrip vond om verschillende redenen een goede voedingsbodem, samenhangend met de toen heersende opvattingen en doelstellingen binnen de geografie. Nadat ook andere wetenschappelijke specialisaties zich met de bestudering van de relatie tussen de mens en de natuur bezig waren gaan houden, vonden geografen in het landschapsbegrip een nieuwe - eigen - houvast. Bovendien paste het landschapsbegrip in het geheel van
wetenschapsfilosofische ideeën van dat moment, toen er veel aandacht was voor
holistische begrippen als Ganzheit, Totalität, synthese en
Gestalt. Ten slotte bood het landschapsbegrip de mogelijkheid 'historisch-genetisch' bezig te zijn. Dat wil zeggen dat men bij voorkeur probeerde het karakter van een landschap te 'verklaren' door een analyse van de oorsprong en ontwikkeling van dat landschap in de loop der eeuwen. In dit verband is ook de bijdrage van de
historische geografie van belang geweest.
In het geheel van de cultuurlandschapsgeografie domineerde de bestudering van
nederzettingsvormen, met name de ontstaanswijze, en de wijze waarop het landelijk gebied gebruikt werd. Eerst aan het einde van de jaren dertig van de 20e eeuw kreeg men meer belangstelling voor de functionele aspecten van nederzettingen in relatie tot het omringende verzorgingsgebied. Daar lag de kiem voor een totaal andere benadering van de geografische onderzoeksvragen zoals die vorm kreeg in de
theorie van de centrale plaatsen van
Walter Christaller.
1925-1970: Berkeley SchoolNiet alleen in Duitsland heeft de cultuurlandschapsgeografie veel bijval gevonden, maar ook in de
Verenigde Staten kreeg ze veel aanhangers. Een belangrijke rol in de ontwikkeling van de landschapsgeografie was hier weggelegd voor
Carl Ortwin Sauer (1889-1975) en de Amerikaan van Nederlandse afkomst
Jan O.M. Broek (1904-1974). Sauer vond dat geografen zich moesten concentreren op het landschap. De basis voor zijn visie op de geografie is te vinden in zijn
oratie The morphology of landscape uit 1925, uitgesproken bij de aanvaarding van zijn aanstelling aan de
Universiteit van Californië in
Berkeley.
Het ging Sauer er om via een reconstructie van de opeenvolgende fasen van de landschapsontwikkeling inzicht te krijgen in de huidige verschijningsvorm. Jan Broek onderzocht bijvoorbeeld de veranderingen in het landschap van de
Santa Clara Valley in het westen van de Verenigde Staten vanaf de kolonisatie van dit gebied door de
Spanjaarden en
Mexicanen aan het einde van de 18e eeuw. Het cultuurlandschap is volgens Sauer als het ware de ruimtelijke expressie van de menselijke activiteit. Daarbij maakte hij in principe geen onderscheid tussen natuurverschijnselen en cultuurverschijnselen. Zowel veranderingen in het
klimaat als die in
vegetatie werden in de analyse meegenomen naast de werken van de menselijke groep. Sauer had grote belangstelling voor de verscheidenheid in
cultuurhistorie en geografie van een bepaald gebied. Hij had weinig waardering voor verschijnselen als
industrialisatie en
verstedelijking, omdat daardoor de harmonische gegroeide verscheidenheid in het cultuurlandschap werd bedreigd.
Sauers sterke persoonlijkheid leidde tot schoolvorming: de Berkeley School. Belangrijk in het wetenschappelijk werk van de Berkeley School is het in kaart brengen van de spreiding van allerlei cultuurverschijnselen, zoals
landbouwtechnieken,
bouwvormen,
religies, dialecten, feesten et cetera. In feite ligt hier het begin van de zogenaamde
(innovatie) diffusiestudies, die later in de sociale geografie van de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw veel aandacht kregen.
In de periode 1960-'70 kwam er steeds meer kritiek op de opvattingen van de aanhangers van de Berkeley School. Men verweet de Berkely School dat zij de vorming van het landschap te veel zag als het resultaat van cultuur als een abstract verschijnsel in plaats van een gevolg van menselijke beslissingen. Mensen werden te veel gezien als passieve dragers van een cultuur, als pionnen in de loop van de geschiedenis. Bovendien vonden de critici dat er te weinig aandacht was voor de invloed van economische en politieke structuren en te veel aandacht voor niet-stedelijke ruimten.
Eind jaren tachtig: Culturele geografieAan het einde van de jaren tachtig van de 20e eeuw onderging de sociale geografie andermaal ingrijpende veranderingen. Deze veranderingen staan nu bekend als de 'cultural turn': de groeiende betekenis van sociaal-culturele aspecten bij het analyseren en verklaren van ruimtelijke processen. Er was een gevoel van onvrede ontstaan over de radicale en neo-marxistische benaderingen. Men zocht naar een aanpak die de beperkingen van het
materialistische determinisme kon overstijgen (zoals bij de
maatschappijkritische geografie) en die tegelijk theoretisch rijker was dan de benaderingen binnen de
humanistische geografie.
Toch kan niet worden gesproken van een gebundelde krachtsinspanning binnen de sociale geografie om tot een andere aanpak te komen. De onvrede kwam tot uiting op verschillende deelterreinen van de sociaal-wetenschappelijke praktijk. Wat gemeenschappelijk was, was het wantrouwen in het bestaan van een algemeen geldende theorie, een 'grand theory'. Men geloofde niet meer dat er één type oplossing was voor de maatschappelijke problematiek en men erkende de aanwezigheid van verscheidenheid aan problemen én oplossingen in de samenleving (zie
postmodernisme). De cultuurgeografen van tegenwoordig houden zich bezig met de ruimtelijke dimensie van cultuur in de ruimste zin van het woord. Landschappen worden gezien als onderdeel van een vaak omstreden maatschappelijke orde en van een bepaald stelsel van
waarden en normen.
Interessant is de aandacht voor de postmoderne meervoudigheid van het begrip 'cultuur'. Het gaat niet alleen om elitaire cultuur (de hoge cultuur), maar evenzeer om
popcultuur,
massacultuur,
jeugdcultuur. Het gaat dus niet alleen om betekenissen die door de elite worden gegeven aan de ruimte, maar ook en vooral om de manier waarop minderheden de ruimte beleven.
Feministisch georiënteerde onderzoekers wijzen bijvoorbeeld op de verschillende wijzen waarop mannen en vrouwen ruimten in de stad ervaren en beleven. Ruimten (landschappen) zijn niet neutraal maar een afspiegeling van dominante machtsrelaties in de samenleving.
De moderne cultuurgeograaf heeft veel aandacht voor
macht. Het gaat niet alleen over macht in politieke zin, maar in het algemeen over de zeggenschap die groepen over delen van de ruimte willen hebben. Zo kan een onderscheid worden gemaakt tussen ruimten die geschikt geacht worden voor geconformeerd gebruik versus ruimten waar het
non-conformisme zich wil manifesteren (zie de discussie over plaats en gebruik van
hangplekken in stedelijke gebieden). Vanuit de aandacht voor de factor macht in de stedelijke ruimte wordt er ook weer gekeken naar het landschap. Zo publiceerde Sharon Zukin in 1991 Landscapes of power waarin ze duidelijk maakt hoe economische praktijken hun stempel drukken op het hedendaagse landschap (
Disneyland,
shopping malls,
industrieterreinen). Ook
toerisme is een economische factor met een landschapstransformerende macht. Voorbeelden daarvan zijn te vinden langs de kust van tal van landen.
Binnen de nieuwe culturele geografie wil men de manier waarop landschappen worden weergegeven ter discussie stellen. Landschapsgeografen wenden zich hiervoor tot bijvoorbeeld de
literatuurwetenschap of de
semiotiek om te analyseren hoe het landschap 'gelezen' moet worden. In dit kader is er ook een groeiende aandacht voor het 'ruimteloos' (footloose) raken van economische en sociaal-culturele activiteiten waarbij oorspronkelijke lokale bindingen verloren gaan. Aan de
Spaanse Costa’s verschijnen 'echte' Hollandse cafés, om maar een voorbeeld te geven.
Tijdgeografie is een discipline binnen de sociale geografie. Het gaat hier om een
gedragsmatige(behaviorisme) benadering, ontwikkeld door
Torsten Hägerstrand. In deze benadering staan de beslissingen over gedrag in tijd en ruimte centraal. Het gaat er hierbij om de beslissingen die mensen nemen, te
beschrijven in termen van tijd en ruimte. Het gaat hierbij niet om de analyse van de mentale processen die het ruimtelijke gedrag sturen, maar alleen om de analyse van het concrete tijd-ruimtepad dat gevolgd wordt bij menselijke activiteiten. Er wordt dus geen aandacht besteed aan de gedachtegang die voorafgaat aan handelingen. Er wordt alleen maar gekeken naar wat het
gedrag precies is en waar het plaatsvindt. Het handelen binnen het tijd-ruimte pad gaat, volgens Hägerstrand, gepaard met verschillende vormen van beperkingen (ook wel "constraints" genoemend). Zo zijn er:
- capability constraints (lichamelijke beperkingen),
- coupling constraints (Koppelingsbeperkingen) (beperkingen gecreëerd door het volgen van bepaalde afspraken),
- authority constraints (Autoriteit Beperkingen) (beperkingen die te maken hebben met territoria, bezit en macht).
Toeristische geografie is een deelwetenschap van de sociale geografie. Men bestudeert onder meer de mate of mogelijkheid van toeristische activiteit in een bepaald gebied. Toeristisch geografen zijn actief bij zowel de ruimtelijke analyse van het toeristische aanbod als bij de analyse van het ruimtelijk gedrag van
toeristen. Toeristisch geografen adviseren ondernemers waar zich de meest aantrekkelijke toeristische locaties zich bevinden zodat deze daar hun bedrijven kunnen exploiteren. Dit kan gaan om de bouw van
hotels, maar ook om de ontwikkeling van geheel nieuwe vormen van toerisme in een gebied, zoals
watersport in voorheen onbekende gebieden of het maken van
excursies door
natuurparken.
Het toeristische aanbodHet voor toeristen interessante aanbod aan attracties en faciliteiten ligt doorgaans niet toevallig gespreid in een bepaald gebied. Geografen maken een inventarisatie van de aanwezige attracties en voorzieningen en bepalen dan de sterke en zwakke kanten van het regionale toeristische aanbod. Men maakt daarbij gebruik van concentratiematen,
clusteranalyse en vermogenanalyse. Voor de bestudering van de ontwikkeling in de tijd van een toeristisch gebied maken geografen gebruik van een ruimtelijke variant van de
productlevenscyclus. Ook wordt de uit de
marketing bekende
portfolio-analyse toegepast op toeristische plaatsen en gebieden.
Toeristisch gedragHet ruimtelijk gedrag van toeristen kan op verschillende manieren worden beschreven en geanalyseerd. Gebruikelijk zijn
enquêtes onder toeristen, waarbij wordt gevraagd naar herkomst, bezoekmotief, de bezochte attracties en de uitgaven.
Multivariate statistische technieken worden dan ingezet om patronen in het verzamelde
empirische materiaal te ontdekken. Ook wordt onderzoek gedaan naar het tijd-ruimtegedrag al blijft dit type onderzoek schaars gezien de kosten die ermee gemoeid zijn. Op basis van dit type onderzoek kan voor een gebied of plaats worden vastgesteld wat de voorkeursgebieden en/of –attracties zijn. Zo kunnen tevens de sterke en zwakke kanten van het regionale of lokale aanbod worden blootgelegd. Steeds belangrijker is bij het geografisch onderzoek naar de vraagzijde van het toeristisch product de betekenis van de immateriële facetten. Daaronder worden begrepen de rol van de beeldvorming, het verwachtingspatroon, ruimtelijke symbolen,
media en een onjuist idee van de werkelijkheid bij de keuze van vakantiegebieden.
Positieve en negatieve effectenEen derde onderzoeksterrein binnen de toeristische geografie betreft het onderzoek naar de positieve en negatieve effecten van de toeristische industrie en de toeristen. Onder de positieve effecten kunnen de bijdragen aan de lokale en regionale werkgelegenheid worden gerekend. Verder levert toerisme een bijdrage aan het in stand (en betaalbaar) houden van bepaalde voorzieningen vooral in kleinere leefgemeenschappen.
Veel aandacht is er de laatste tijd voor de negatieve effecten op het milieu en de lokale leefbaarheid. In veel gebieden is het effect van het toerisme dusdanig dat natuur en milieu ernstig te lijden hebben. Grote verkeerscongestie en daaraan gerelateerde uitstoot van schadelijke stoffen, degradatie van kwetsbare natuurgebieden (kustgebieden en wintersportgebieden in het bijzonder), horizonvervuiling door grootschalige hotel- en appartementenbouw en de aantasting van het gevoel van
leefbaarheid voor de lokale bevolking zijn slechts een greep uit een lange lijst van problemen. Geografische onderzoek wordt ingezet om ideeën te ontwikkelen voor een
duurzaam toerisme.
Topofilie (van het
Griekse topos (plaats) en –philia (houden van)) is een sterk gevoel voor een
aardrijkskundige plaats, dat vaak vermengd raakt met een gevoel van culturele
identiteit en een liefde voor bepaalde aspecten van die
plaats.
BegripsgeschiedenisAlan Watts' autobiografie In My Own Way (1972) begint met de zin: Topofilie is een woord uitgevonden door de Britse dichter
John Betjeman voor een bijzondere liefde voor eigenaardige plaatsen. Het was echter
W.H. Auden die de term in 1948 gebruikte in zijn voorwoord voor Betjemans bundel Slick but not streamlined, waarin Auden benadrukte dat de term weinig van doen heeft met liefde voor de natuur, maar is gestoeld op een
landschap gelardeerd met een gevoel voor historie. De term verscheen later in het invloedrijke La poétique de l'espace (1957) van de
Franse filosoof Gaston Bachelard.
De Amerikaanse geograaf
Yi-fu Tuan gebruikte de term topofilie voor de gevoelsmatige verbintenis tussen een persoon en een plaats. James W. Gibson stelt in zijn boek A Reenchanted World (2009) dat topofilie of liefde voor een plaats een biologisch gewortelde, sterke culturele verbinding met een plaats is. Gibson zegt dat zulke verbindingen grotendeels verwoest zijn in de
Moderne Tijd, maar beweert dat meer en meer mensen pogen deze verbindingen opnieuw uit te vinden.
In relatie tot sportMike Cronin benadrukt in zijn artikel Enshrined in Blood the Naming of Gaelic Athletic Association Grounds and Clubs (The Sports Historian, 18, 1) de kansen die sport
stadions bieden voor topofilie. Verwijzend naar het werk van sportgeograaf John Bale noemt Cronin vijf
metaforen die stadions in het bijzonder topofiel maken:
- Stadions zijn "heilige plaatsen" voor de volgelingen, vooral indien er euforische of tragische incidenten zijn voorgevallen zoals de Hillsboroughramp
- Ze bezitten vaak "schilderachtige" kwaliteiten, zoals het uitzicht op Gateway Arch vanuit het Busch Stadium in Saint Louis (Missouri)
- Als een "thuis" voor het sportteam en de fans kan het stadion gunstige effecten hebben op beiden
- Het stadion kan een toeristische bezienswaardigheid worden voor bezoekers. Sommige stadions, zoals het Melbourne Cricket Ground, kennen betaalde rondleidingen buiten de wedstrijden om
- Diepe lokale trots en patriottisme kunnen verbonden zijn met specifieke stadions of arena's
MediaHet begrip wordt gebruikt in de titel van Topohilia, een
documentaire uit 2015 van Peter Bo Rappmund die handelt over de
Trans-Alaska-pijpleiding.
NatievormingTopofilie kan tevens ingezet worden bij het bestendigen van
natiestaten.
| Geografie van recreatie en toerisme |
Geografie van
Recreatie en
Toerisme is een specialisatie van de sociale geografie. Beoefenaren van deze specialisatie beschrijven, analyseren en verklaren de ruimtelijke aspecten van recreatie en toerisme. Recreatie en toerisme zijn met vrijetijd nauw met elkaar verweven begrippen. Een scherpe omschrijving van deze begrippen en daarmee ook van het wetenschapsgebied is lastig omdat de definiëring sterk afhankelijk is van de context van het gebruik.
Een universeel acceptabele definitie is feitelijk onmogelijk. Wel zijn er pogingen gedaan om tot technische definities te komen om bijvoorbeeld het verzamelen van statistische gegevens mogelijk te maken. Men omschrijft toerisme dan in termen van de tijdsduur die buiten de directe woonomgeving wordt doorgebracht met een vrijetijdsmotief. Maar deze technische omschrijvingen zijn onvoldoende om een toeristische activiteit in de sfeer van de persoonlijke beleving recht te doen. Net als voor andere specialisaties van de sociale geografie geldt overigens ook hier dat tegenwoordig veel in multidisciplinair verband wordt gewerkt.
Recreatie, Toerisme en GeografieDe belangstelling van (sociaal) geografen voor recreatie en toerisme is eigenlijk is vanzelfsprekend. Immers:
- Recreatie en zeker toerisme en gaan gepaard met verplaatsingen, niet alleen van mensen maar ook van goederen
- Door recreatie en toerisme worden plaatsen en gebieden veranderd. Soms zijn dat kleine veranderingen, vaak ook zijn ze zeer ingrijpend en is er sprake van complete landschapstransformaties (bijvoorbeeld in kustgebieden of in wintersportgebieden).
- Niet zelden is er sprake van een grondige verstoring van de oorspronkelijke natuurlijke en sociale milieus. In sommige gebieden is de negatieve invloed van recreatie en toerisme een gevaar voor de duurzame ontwikkeling van een gebied. Zie transformatiemodel.
- Hoewel geografen voldoende argumenten hebben om zich met recreatie en toerisme bezig te houden en recreatie en toerisme zelf in de tweede helft van de 20e eeuw een massaal karakter hebben gekregen (met grote economische en sociale gevolgen), is geografie van recreatie en toerisme een relatief klein specialisme in het geheel van de geografische wetenschappen.
Een van de redenen is het ontbreken van een scherpe afbakening van recreatie en toerisme. Vrijwel alles kan worden benut als een toeristische bron. Befaamde stadspleinen als de
Dam in
Amsterdam worden zowel door de lokale bevolking,
dagrecreanten en toeristen bezocht en dat geldt ook voor musea, stranden, restaurants en evenementen. Veel aanbieders werken niet exclusief voor recreanten en toeristen. Het gedrag van toeristen is lang niet altijd te onderscheiden van dat van de lokale bevolking. Stadsgeografen en ruraal geografen publiceren ook over toeristisch-recreatieve problemen.
Zeker in het begin van de ontwikkeling van het specialisme in de periode 1960-1980 beschouwden collega-geografen het werkterrein niet als een serieus onderwerp voor wetenschappelijk onderzoek. Als gevolg daarvan zochten geografische specialisten hun heil buiten het directe vakgebied van de geografie in multidisciplinaire werkverbanden. Door het ontbreken van een afgebakend studie-onderwerp en een algemeen geaccepteerd geheel van onderzoeksmethoden, werd de vorming van de geografie van recreatie en toerisme als specialisme bemoeilijkt.
De ontwikkeling in NederlandVoor 1980 was er enige aandacht voor de ruimtelijke aspecten van (openlucht)recreatie en vrijetijd bij de geografische universitaire instituten. Toerisme was nauwelijks een onderwerp van onderzoek. Vakantie was een aandachtsveld van vooral sociologen. Na 1980 gingen geografen zich meer bezighouden met vrijetijd en daarom ook met toerisme. Op de Nederlandse Geografendagen in 1982 en 1986 werden afzonderlijke sessies gewijd aan het geografisch onderzoek op dit gebied. Met name aan de universiteiten van Groningen en Nijmegen kregen toeristisch-recreatieve onderwerpen aandacht van geografen. Opvallend was de aandacht voor het stedelijk toerisme.
In 1992 kwam het onderzoeksprogramma FUTRO tot stand waarin onderzoekers van de universiteiten van Tilburg, Eindhoven en Wageningen samenwerkten. Het programma kende een multidisciplinaire opzet met een sterk accent op de sociaal-geografische en sociologische probleemaanpak. FUTRO betekent ‘Fundamenteel tijd-ruimte onderzoek met accent op toeristisch-recreatieve ontwikkelingen in een Europese context’. Door dit programma kreeg het wetenschappelijk onderzoek een sterke impuls. Een tiental proefschriften verscheen in de periode 1996-2002 in het kader van dit programma. Een groot aantal daarvan was gericht op een geografisch relevante problematiek (Vakantiekeuze van toeristen, tijd-ruimtegedrag van toeristen, ruraal toerisme, toepassingsmogelijkheden van GIS, regionaal-toeristische ontwikkeling en ruimtelijke keuze- en beslissingsmodellen)
Belangrijke aandachtsvelden- Zeker niet specifiek geografisch, maar wel een thema met veel geografische inbreng is het thema duurzaam toerisme. Het onderzoek richt zich op een optimaal (verantwoord) gebruik van recreatief-toeristische hulpbronnen. Bij dit aandachtsveld kan ook het onderzoek naar de relaties tussen natuur (natuurbeleving) en toerisme worden gerekend. Er is inmiddels voor dit thema een aantal gespecialiseerde tijdschriften in het leven geroepen waaronder ‘Journal of ecotourism’ en het Journal of sustainable tourism’. Bovendien vindt men in het tijdschrift ‘Tourism Geographies’ ook regelmatig artikelen voor dit aandachtsveld.
- De effecten van toerisme en recreatie in specifieke gebieden. Veel aandacht voor kustgebieden, gebieden met een grote concentratie van wintersportfaciliteiten en regionale/nationale parken.
- Aandacht voor de ontwikkeling van recreatie en toerisme in de loop van de tijd zoals te beschrijven met behulp van een productlevenscyclus. Evenals gewone producten hebben toeristengebieden ook een beperkte levensduur. Geografen spreken in dit verband ook wel van een ‘Gebiedslevenscyclus’ of van een ‘resortlevenscyclus’. In dit type onderzoek tracht men greep te krijgen op de specifieke kenmerken van elk van de ontwikkelingsfasen van een toeristengebied voor het bepalen van een toekomstgerichte ontwikkelings- en marketingstrategie.
- De groeiende aandacht voor de culturele geografie betekent voor de geografie van recreatie en toerisme onderzoek naar (authentieke) ervaringen van toeristen, naar de betekenis van beeldmateriaal voor de keuze van vakantiegebieden en naar de relatie tussen toeristen en lokale bevolking (en lokale cultuur).
- De betekenis van toerisme en recreatie voor plattelandsontwikkeling
- Stedelijk toerisme en de effecten voor de lokale economie en het stedelijk erfgoed.
| Graviteitsmodel in de geografie |
Het graviteitsmodel is een van de bekendste modellen in de sociale geografie. Het heeft vermoedelijk zo'n wijdverbreide toepassing gekregen door zijn eenvoud. Het graviteitsmodel wordt gebruikt om de mobiliteit van mensen, goederen en ideeën te beschrijven en te voorspellen.
Vervoer,
Sociale mobiliteit,
Circulatie (mobiliteit).
Aan het einde van de
jaren 50 en het begin van de
jaren 60 keerden geografen zich langzaam af van de beschrijvende
regionale geografie en gingen ze meer aandacht besteden aan de ontwikkeling van wetten en theorieën. Ze streefden ernaar om voor de geografie een eigen identiteit op te stellen te midden de
sociale wetenschappen. Veel van het wetenschappelijk werk geschiedde binnen de opvattingen van de zogenaamde social physics school. De leider van deze 'school' was J.Q. Stewart. Hij vond dat regelmatigheden in bevolkingsspreidingen beschreven en verklaard konden worden door middel van natuurkundige wetten. Een van die wetten was het graviteitsmodel. De basisformulering van het graviteitsmodel luidt dat de interactie tussen twee plaatsen recht evenredig is met het product van de massa van die plaatsen en omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand tussen die plaatsen (zie
Zwaartekracht voor de formules). Het graviteitsmodel kent dus twee variabelen: massa en afstand.
MassaIn toegepaste studies wordt massa op talloze manieren weergegeven. Stel dat we de mobiliteit tussen twee steden willen voorspellen. Gebruiken we dan de bevolkingsomvang van die steden als massavariabele of alleen de omvang van de beroepsbevolking? Ingewikkelder wordt het wanneer we de interactie tussen twee regio’s willen voorspellen met behulp van het graviteitsmodel. Eigenlijk zou dan aan de volgende voorwaarden voldaan moeten worden:
- Afwezigheid van concentraties van massa aan de periferie van de regio.
- Aanwezigheid binnen elke regio van een bepaald graviteitscentrum.
- Samenvallen van het zwaartekrachtscentrum met het fysieke zwaartekrachtscentrum van het gebied.
- Regelmatige geometrische vormen voor elk van de onderscheiden gebieden.
- Aangrenzende gebieden moeten ongeveer even groot zijn.
Vaak worden bevolkingsaantallen gebruikt als maat voor de massa in het model. Wanneer interstedelijke migratie wordt geanalyseerd, is wellicht werkgelegenheid, inkomen of koopkracht een betere maatstaf. Immers, de ruimtelijke spreiding van het inkomen (gemiddeld inkomen) hoeft niet gelijk te zijn aan de spreidingsgraad van de bevolking. In een aantal gevallen gaat men er toe over de massavariabele te wegen in afwijking van het oorspronkelijk graviteitsmodel.
AfstandAfstand kan op verschillende manieren worden gemeten. Het oorspronkelijke graviteitsmodel veronderstelt een lineaire afstand in termen van kilometers. Het zal duidelijk zijn dat relatieve afstand niet altijd in
euclidische maten weergegeven kan worden (zie ook
Ruimte (Geografie)). Niet-euclidische maten worden zelden ingevoerd. Doorgaans wordt via een aanpassing van de afstandsexponent getracht een benadering te maken van de werkelijke afstand behorende bij het onderhanden zijnde probleem. Een andere mogelijkheid is uiteraard te werken met kostenkilometers. Het probleem van de juiste exponentkeuze is uiterst gecompliceerd omdat het afhankelijk is van steeds wisselende massavariabelen. De exponent varieert naargelang het soort ritten. De toepassing van het graviteitsmodel in de sociale geografie is niet zonder kritiek gebleven. Enkele kritiekpunten:
- Er wordt niet van uitgegaan dat plaatsen tegelijkertijd door meer dan één punt in een interactiesysteem beïnvloed kunnen worden.
- Soms levert het model een goede beschrijving van waargenomen interactiepatronen tussen plaatsen. Een goede beschrijving is echter nog geen afdoende verklaring.
- Het is niet eenvoudig in het graviteitsmodel rekening te houden met de wijze waarop mensen hun ruimte ervaren. Bij beslissingen over mobiliteit kennen mensen zelden alle mogelijkheden. Bovendien verschillen mensen in hun doelstellingen en handelen ze lang niet altijd rationeel.
Grote Volksverhuizing: Belangrijkste verhuizingstromenMenselijke migratie is de verplaatsing van
groepen mensen van de ene plaats naar de andere. De mensheid is
ontstaan in een beperkt gebied of hooguit in enkele gebieden. Door de millennia heen zijn mensen gemigreerd en zo is de mensheid over de gehele
aarde verspreid geraakt. Volksverplaatsingen vinden nog steeds plaats in de moderne tijden.
VormenMigratie wordt veelal gezien als permanent, maar ook
nomadisme en seizoensgebonden migratie zoals
transhumance vallen hieronder.
Forensisme (pendelen tussen werk en huis) kan ook gezien worden als een vorm van migratie. Iemand die migreert wordt een migrant genoemd.
Het Nederlands kent de volgende soorten migranten:
- emigrant - iemand die het land verlaat
- immigrant - iemand die van buiten in het land komt
- remigrant - een teruggekeerde emigrant
- transmigrant - iemand die tijdelijk in het land woont
- doorreismigrant, transitmigrant - iemand die tijdelijk in een doorreisland verblijft (land van herkomst → doorreisland → land van aankomst)
Andere soorten migranten, naar oorzaak of reden van migratie, zijn:
Migraties in de tijdRomeinse tijd
- Volksverhuizing in de Lage Landen (Frankische tijd): het oversteken van de Rijn door Franken die het Romeinse Rijk in de 3e eeuw binnendrongen in de Frankische tijd. Tegen de 7e eeuw hadden zij zich tot in het zuiden verspreid en definitief hun Frankische Rijk gevestigd
- Grote Volksverhuizing: het binnendringen van meerdere stammen in het Romeinse Rijk tussen de 4e en de 6e eeuw
Middeleeuwen
- Invasies in Europa (793-1000): de grootste migraties sinds de Grote Volksverhuizing, in de eeuwen voor de Frankische periode, in de 9e en de 10e eeuw. De Hongaren of Magyaren belegerden de oostgrenzen van Europa, de Saracenen de Middellandse Zeekusten en de Noormannen of Vikingen belaagden de noordelijke en Atlantische kusten. De kolonies van de Vikingen zouden bovendien uitgroeien tot sterke, onafhankelijke staten in het Europa van de Vroege Middeleeuwen
16e-18e eeuw
- De trans-Atlantische slavenhandel waarin slaven van Afrika naar Amerika gebracht werden. Deze bereikte zijn hoogtepunt in de 18e en 19e eeuw en geldt als de grootste gedwongen migratie uit de geschiedenis
- Migratiestroom in de Nederlanden: de vluchtelingenstroom in de 16e eeuw die vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar voornamelijk de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar ook naar Duitsland, Frankrijk en Engeland verliep
19e eeuw
- De Trail of Tears, de gedwongen westwaartse herplaatsing in 1838 van de Ahniyvwiya (Cherokee). Bij uitbreiding wordt de term ook gebruikt voor de deportatie van andere inheemse volken binnen de Verenigde Staten
- De Ierse hongersnood (1845-1850) dreef ongeveer een miljoen Ieren tot emigratie
- Deutsches Auswandererhaus: een museum in Bremerhaven in Noord-West-Duitsland met als hoofdonderwerp de emigratie van Duitsers en mensen uit Oost-Europa van Bremerhaven naar de Verenigde Staten in de 19e eeuw
20e eeuw
- Belgische vluchtelingen in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog
- De Armeense Genocide, waarbij de gezonde mannen gedood werden en alle overigen gedeporteerd werden, tot in de Syrische Woestijn. Dit kostte een tot anderhalf miljoen mensen het leven. En de deels vergelijkbare Griekse Genocide, waarbij een half tot een miljoen mensen omkwamen
- De Grote Afro-Amerikaanse volksverhuizing
- De Lange Mars van Mao Zedong en ongeveer 130.000 Chinese communisten van het Rode Leger in 1934. De mars liep van Jiangxi naar Yan'an in Shaanxi. Tienduizenden overleefden de tocht niet
- Operatie Black Tulip: uitzetting direct na de Tweede Wereldoorlog van de in Nederland wonende Duitsers
- Aliyah Bet: de illegale immigratie van Joden in het mandaatgebied Palestina van 1934 tot 1948
- Gedwongen volksverhuizingen in de Sovjet-Unie:
- deportatie van het "antisovjet"-deel van de bevolking, vaak "vijanden van het proletariaat" genoemd
- deportatie van naties, arbeidskrachtverhuizingen
- georganiseerde migraties in tegengestelde richtingen om etnisch gezuiverde gebieden te herbevolken
- Internationale Organisatie voor Migratie: een intergouvernementele organisatie met een hoofdkantoor in Genève, met het doel om ontheemden in Europa in de naoorlogse jaren terug te begeleiden naar huis
- Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog:
- de etnische zuivering van Duitse staatsburgers uit de voormalige officiële vooroorlogse oostelijke provincies van Duitsland, welke in 1945 aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa door Polen werden geannexeerd
- uit andere delen van Midden- en Oost-Europa, waar tussen 1945 en 1949 een etnische zuivering plaatsvond van Duitstalige minderheden (Volksduitsers) uit de Sovjet-Unie, Tsjecho-Slowakije, Roemenië, Hongarije en Joegoslavië
- Ecuador werd in 2008 het eerste land ter wereld dat migratie als een grondrecht opnam in de grondwet. Het ministerie van Buitenlandse Zaken voert de naam Ministerio de Relaciones Exteriores y Movilidad Humana (MREMH - Sp. Ministerie voor Buitenlandse Betrekkingen en Menselijke Mobiliteit). Volgens Artikel 40 wordt het recht op migratie van personen erkend en zal geen mens worden geïdentificeerd of als illegaal worden beschouwd vanwege diens migratiestatus
| Ruimtelijke analyse en behaviorale geografie |
Aan het begin van de jaren vijftig ontstond in de Verenigde Staten de Nieuwe Geografie. In de jaren zestig drongen de nieuwe ideeën door op het Europese continent. De Duitse en de Franse geografie, tot dan toe toonaangevend, moesten een behoorlijke stap terugdoen. De Angelsaksische geografie werd toonaangevend.
Sociale geografie en ruimtelijke analyseAan het einde van de jaren vijftig heerste er aan enkele Amerikaanse universiteiten onvrede over de regionale geografie, toen de dominante manier van werken binnen de geografie. De kritiek die men had komt samengevat neer op:
- matig niveau
- additioneel (aanvullend) in plaats van cumulatief (dat steeds bij elkaar opgeteld is)
- slecht image
- geringe toepasbaarheid
- arbitraire regio’s
- kwalitatief en te weinig generalisatie
- exceptionalistisch (buitengewoon, bij uitzondering)
De ‘nieuwe geografie’ keerde zich af van de
idiografische werkwijze van de regionale geografie en stelde het nomothetisch werken voorop. Het zoeken naar een theoretisch fundament voor deze koerswijziging (door sommigen wel geduid als een
paradigmawisseling, als een wetenschappelijke revolutie in de zin van
Thomas Kuhn) werd in de beginperiode sterk gestuurd door een oriëntatie op de inzichten uit de
neoklassieke micro-economie. De
micro-economie beperkt zich tot de bestudering van het veronderstelde economische gedrag van individuele huishoudens, ondernemers, consumenten en dergelijke. Veel invloed op de ontwikkeling van de ruimtelijke analyse hadden de
centrale-plaatsentheorie van
Walter Christaller en
August Lösch, en de
grondrentetheorie van
Von Thünen. In de regionale geografie was aan deze inzichten nauwelijks aandacht besteed. De geografische werkwijze verschoof nu nadrukkelijk van
inductie naar
deductie. Spreidingen van nederzettingen werden niet verklaard door de bepaaldheid van het fysisch milieu, maar door aannames over de relatie tussen de verzorgingsfunctie-afstand en
transportkosten. Consumenten gaan in de visie van Christaller altijd naar de dichtstbijzijnde plaats om hun behoeften te bevredigen. De aanbieders op hun beurt moeten rekening houden met de aanwezigheid van een zekere kritische massa willen ze hun goederen en diensten rendabel aan de man of vrouw kunnen brengen. De reikwijdte van goederen en diensten varieert.
Drempelwaarde en reikwijdte vormen het fundament van de centrale plaatsentheorie. Christaller dacht dus in termen van een geometrische ruimte
De wijze van werken van de nieuwe geografie is sterk beïnvloed door de
wetenschapsfilosofie van het
logisch positivisme of logisch empirisme (
Wiener Kreis). Na de Tweede Wereldoorlog is dit verder omgewerkt tot
kritisch rationalisme (Karl Popper) en door de ruimtelijke analytische wetenschappers geaccepteerd als het filosofisch fundament van het wetenschappelijk werk. Ondanks het feit dat het logisch positivisme veel kritiek te verduren heeft gekregen, is de invloed indirect nog zeer groot omdat belangrijke aspecten ervan nog steeds doorwerken in de
methodologie van het wetenschapsbedrijf. Belangrijk daarin is de zogenaamde
empirische cyclus. Door systematisch onderzoek via een aantal vaste stappen (de empirische cyclus) ontstaat wetenschappelijke kennis. In de empirische cyclus is de waarnemingsbasis het beginpunt en ook het referentiepunt. Een kaart kan dienen als een waarnemingsbasis en daarop kan door goed te kijken geconstateerd worden dat er verband bestaat tussen de spreiding van campings en de aanwezigheid van aantrekkelijke landschappen. Zo’n relatie is in feite een op waarneming gestoelde generalisatie. We weten echter nog niet hoe we dat verband moeten verklaren. Het zou ook nog toeval kunnen zijn. Dus wordt gekeken of het gevonden verband in een theorie in te passen valt. Een theorie is in deze traditie een logisch samenhangend geheel van uitspraken ter verklaringen van delen van de werkelijkheid. De theorie dient dan weer om hypothesen te formuleren over veronderstelde relaties tussen verschijnselen die op hun beurt weer getoetst worden aan de waarnemingsbasis: de empirische cyclus is dan weer rond. Het is dus een cyclus waarmee we ook willen aangeven dat een vast begin- of eindpunt ontbreekt.
Rond de jaren zeventig van de vorige eeuw was de ruimtelijke analyse de hoofdstroom van het geografisch denken geworden, zeker in de
Angelsaksische wereld. Er kwamen nieuwe vakbladen en nieuwe handboeken: David Harvey’s ‘Explanation in geography’ werd de nieuwe bijbel van het geografische werk. In de leerboeken kregen modellen en het modelleren een centrale plaats. Stedelijke structuren werden geanalyseerd met behulp van het
Von Thünenmodel en migratie- en pendelstromen werden onderzocht door toepassing van het zogenaamde graviteitsmodel. De aandacht voor modellen in deze hoofdstroom van het sociaal-geografisch denken is niet zo verwonderlijk, omdat het ruimtelijk-analytisch veld van onderzoek zo ingewikkeld is dat een vereenvoudigde weergave via modellen wel nodig is.
Het toepassen van modellen in de wetenschap moet niet worden gezien als het inschakelen van een neutraal instrument. De reductie is waarde-bepaald en omdat modellen vaak een eigen leven gaan leiden, verhelderen ze niet alleen onze kijk op de werkelijkheid maar versluieren die ook vaak. Een aardig voorbeeld is het model
Randstad Holland in combinatie met het
Groene Hart, waardoor gemakkelijke een niet met de werkelijkheid overeenkomend beeld van dit deel van Nederland kan ontstaan.
Ruimtelijke systemen zijn feitelijk ook een soort modellen. Met behulp van systeemmodellen probeert men te voorspellen en te sturen (denk aan verkeersgeleidesystemen). Het systeemdenken, dat natuurlijk al heel lang impliciet in de geografie aanwezig was, werd in de jaren zeventig erg populair. Steden en regio’s werden als systemen gezien en de algemene kenmerken van systemen werden toepasbaar geacht (steady state, negatieve en positieve terugkoppeling,
entropie).
Sociale geografie als gedragsmatige geografieDe ruimtelijke analytici hadden weinig aandacht getoond voor het meer individuele ruimtelijke gedrag en zich vooral beziggehouden met ruimtelijke modellen en systemen. Maar gaandeweg werd men er zich meer van bewust dat deze systemen uiteindelijk gevormd worden door de handelingen van individuen. De a priori aannames over het gedrag van al deze individuen werden echter lang niet altijd getoetst. Een van de bekendste vooronderstellingen was dat de mens als een
homo oeconomicus handelde, met andere woorden als een volledig geïnformeerde mens met een perfect vermogen tot economisch rationeel handelen. Maar de homo oeconomicus was een ideaalmodel, waaruit te veel kenmerken van de werkelijke mens waren weggelaten. De gedragsmatig benadering gaat er dus van uit dat ruimtelijke patronen en processen de resultanten zijn van individuele handelingen. Het is daarom van belang het ruimtelijk gedrag van de mens te begrijpen vanuit innerlijke processen bij de mens zelf. Een belangrijk uitgangspunt is dat menselijk handelen en gedrag niet geschiedt van hoe de ruimte is, maar hoe ze denken dat de ruimte is. Beslissingen worden niet genomen op grond van objectieve kenmerken van een gebied, maar op grond van subjectieve beelden - percepties- van het gebied. De gedragsmatige geografie kan worden beschouwd als de geografische uitwerking van het
behaviouralism, een stroming in de sociale wetenschappen, waarin de mens wordt gezien als een actieve, interveniërende schakel tussen enerzijds de ruimtelijke omgeving en anderzijds het ruimtelijk gedrag. Anders dan in het behaviorisme, waarin de mens als passief wordt beschouwd -zijn gedrag wordt bijvoorbeeld gedetermineerd door de omgeving - waardeert het behaviouralism de mens als iemand die subjectief en met een vrije wil, het streven, trachten (naar hoger), de wil om iets te bereiken, normen en waarden een relatie aangaat met de omgeving. Met de verandering in het mensbeeld wordt het sociaal-geografisch onderzoek ook breder. Het reikt van onderzoek naar percepties en images naar waardering en beslissingen met bestemming tot ruimtelijke inrichting, ruimtelijke bestemming of ruimtelijke interactie. In het begin van de ontwikkeling van de behaviorale geografie zijn twee stromingen te zien, die ook nu nog niets aan actualiteit hebben ingeboet.
Het rampenonderzoek, de zogenaamde ‘natural hazard research’, waarin werd nagegaan op welke wijze de mensen de kansen op overstromingen, aardbevingen, droogte etc percipiëren en er naar handelen. De vaak gevonden achteloze instelling wordt verklaard met behulp van de theorie van de
cognitieve dissonantie.De studie van
mentale kaarten, afbeeldingen en
stedelijke schema's. Baanbrekend hiervoor is het werk van
Kevin Lynch geweest. In zijn studie over de beeldvorming van de stad geeft Lynch de resultaten weer van een onderzoek onder de inwoners van
Boston,
Jersey City en
Los Angeles over de manier waarop zij hun ruimtelijke omgeving structureerden. Hij stelde vast dat mensen hun omgeving simplificeren. De ruimtelijke structuur werd als het ware georganiseerd door middel van een vijftal elementen: Wegen of trajecten, Randen,
Districten, Knooppunten en
Oriëntatiepunten.
Doordat overigens de behaviorale geografie zich aansloot bij het ruimtelijk-analytisch ideaal van het construeren van verklarende theorieën en het zoeken naar wetmatigheden kan deze stroming niet worden beschouwd als een breuk met het verleden. Met de hoofdstroom werd niet gebroken, maar het aandachtsveld werd verbreed. De behaviorale geografie bestudeert dus het ruimtelijk gedrag (
Reacties en interacties van personen of groepen personen in relatie tot de onmiddellijke omgeving, inclusief de levende of levenloze objecten binnen die omgeving. Waarneming van de omgeving zet aan tot bepaalde handelingen, bijvoorbeeld zelfbewegingen van de handelende persoon. Dit gedrag leidt vervolgens tot veranderingen in de waarneming, zodat bijvoorbeeld de omgeving verrassend anders wordt gezien.) en handelen van individuen en de cognitieve (verstandelijke) en affectieve (emotionele) processen die aan dat gedrag ten grondslag liggen
Een tweede richting in de behaviorale geografie ziet de mens veel meer als een persoon die in zijn handelingen beperkt is. Niet de menselijke wilsvrijheid maar beperkingen van allerlei soort vormen goede verklaringen voor het uiteindelijke gedrag. Immers
preferenties zijn lang niet altijd in werkelijk gedrag om te zetten. Het is met name de Zweed
Torsten Hägerstrand geweest die in
Lund een behaviorale richting ontwikkelde met wat andere accenten dan in Engeland en de Verenigde Staten. Deze richting wordt de
tijdgeografische richting genoemd waarin de tijd-ruimte analyse centraal staat. Daarnaast in Hägerstrand ook degene geweest die belangrijke aanzetten gaf tot de toepassing van
innovatiediffusie.
Voor Hägerstrand is vrijheid van handelen aanwezig als de beperkingen afwezig zijn. De beperkingen bepalen als het ware de grenzen van de tijdruimte prismas. Bij Hägerstrand is het gedrag dus meer regelgeleid.. Erg bekend zijn de tijdruimte voorstellingen geworden die op de ideeën van Hägerstrand zijn gebaseerd. Ruimte en tijd worden beschouwd als schaarse hulpbronnen, die aan bepaalde activiteiten en functies worden toegekend. De mens doorloopt per dag, week of leven een pad van het ene domein naar het andere en doet daarbij verschillende 'stations' aan. De Brit
Anthony Giddens bracht sociologische kenmerken in Hägerstrands tijdgeografie in met de
structuratietheorie.
We hebben dus gezien dat het gedrag van individuen op grof gezegd twee manieren verklaard kan worden: is er sprake van vrije keuze of moet men meer letten op de beperkingen die door maatschappij en ruimtelijke omgeving worden opgelegd? Momenteel is men het er wel over eens dat beide benaderingen complementair zijn en dat er minsten vier groepen variabelen zijn (overigens niet onafhankelijk van elkaar) die opgevoerd kunnen worden om het menselijk gedrag (of het achterwege blijven daarvan) te verklaren:
- De voorkeuren van het individu
- De middelen en vaardigheden waarover men kan beschikken
- De maatschappelijke en geografische mogelijkheden
- De specifieke omstandigheden in de tijd
De ken-theoretische opvatting van de humanistische geografie verschilde van die van de ruimtelijke analyse, die uitgaat van het
kritisch rationalisme.
Humanistisch geografen zien de sociale theorie als een directe afspiegeling van de werkelijkheid, zoals actoren die zien en beleven. De werkelijkheid is een constructie door de voortdurende interpretatie van het subject. De filosofische stroming van de
fenomenologie is een belangrijke voedingsbodem voor de humanistische geografie. Het onderzoek richt zich op de betekenisvolle sociale realiteit die in eerste instantie niet gekend kan worden door het construeren van meetbare modellen of toetsbare theorieën. Het gaat om het begrijpen van de alledaagse leefwereld van de mensen. De humanistische geografie behoort daarmee tot een richting in de
sociale wetenschappen die wel aangeduid wordt met de termen fenomenologisch, existentieel,
verstehend,
kwalitatief,
hermeneutisch of
interpretatief.
De interpretatieve richting in de
sociologie zoals die in de jaren dertig van de twintigste eeuw werd beschouwd door bv.
Max Weber gaat ervan uit dat menselijk handelen bepaald wordt door de subjectieve wijze waarop mensen hun omgeving interpreteren. Sociale verschijnselen kunnen dan ook enkel verklaard worden door het begrijpen van de subjectieve interpretatie die een individu heeft over zijn omgeving.
Het belangrijkste verwijt van de humanistische geografie op de ruimtelijke analytici is dat in die laatste de mens gereduceerd wordt tot een abstracte, ideaaltypische '
homo oeconomicus', die uitsluitend in de vooronderstellingen van de te toetsen theorie functioneert. Voor de humanistische geograaf is elke mens uniek en dat zwakt de generaliseerbaarheid van wetmatigheden af. Gecompliceerde gevoelens over het landschap worden door de onderzoekers van de behaviorale richting in een kwantitatieve maat uitgedrukt, maar de humanistische geograaf is niet tevreden met de wijze van meten. Er zijn verschijnselen die onmogelijk zijn uit te drukken in maat en getal.
Een onderwerp waar humanistische geografen veel belangstelling voor hebben getoond is de spanning tussen ‘space’ en ‘place’. Place is een gevoelsmatig afgegrensd gebied, waarmee mensen een sterke binding hebben. Space is de ruimte waarvan mensen wel kennis hebben, maar waarin men zich niet direct thuis hoeft te voelen. De tegenstelling tussen
ruimte en
plaats kan zeer verschillend ervaren worden.
Humanistische geografen hebben niet alleen kritiek uitgeoefend, er is ook op hen kritiek gekomen. Men verweet hun een te hoog gehalte aan
subjectiviteit en
intuïtie bij het onderzoek en voorts vond men dat hun onderzoeksresultaten vaak moeilijk generaliseerbaar waren. Vanuit de marxistisch geïnspireerde geografen kwam het verwijt dat de structurele beperkingen waaraan individuen vaak onderworpen werden, nauwelijks aandacht kregen. Handelingen worden ook afgedwongen door de maatschappelijke context. Dat laatste wordt nu door de interpretatieve geografen ook wel erkend. Een sluitende verklaring voor het menselijk handelen moet zowel rekening houden met de beperkende werking van aanwezige sociaal-economische structuren, als met de creatieve vermogens van mensen afzonderlijk.
| Maatschappijkritische geografie |
De maatschappijkritische geografie is een
stroming binnen de sociale geografie die moeilijk eenduidig te typeren is. Men heeft haar
radicaal,
marxistisch of
maatschappijkritisch genoemd. Centraal staat de wens de maatschappelijke verhoudingen ingrijpend te wijzigen ten gunste van de minderbedeelden in de samenleving. De stroming ontstond als onderdeel van het sociale protest van de jaren zestig en zeventig dat niet alleen in de
VS maar ook in
Europa aanwezig was. De ontstane ophef ging in wetenschappelijke kring gepaard met de gedachte dat het gangbare onderzoek zich te veel had laten leiden door de bestaande
kapitalistische verhoudingen. Onderzoekers hadden te weinig oog gehad voor de scherper wordende sociale tegenstellingen. Een aantal van hen sloot zich voor het vinden van oplossingsrichtingen aan bij de marxistische traditie en
marxistische geografie was gedurende de jaren 1970 en 1980 de dominante stroming binnen de kritische geografie.
David HarveyDe meest vooraanstaande geograaf uit deze stroming is
David Harvey. Vier jaar na het verschijnen van zijn Explanation in Geography, gebaseerd op de uitgangspunten van het
logisch positivisme verschijnt Social Justice and the City (1973). Later verschijnt nog onder andere Limits to Capital waarin terugegrepen wordt op oorspronkelijke
Marx-teksten.
Harvey betoogt dat het kapitalisme zich niet afspeelt in het luchtledige, maar in een concrete en georganiseerde ruimte. Het kapitalisme is een binnen bepaalde regels verlopend veranderingsproces dat draait om
kapitaalaccumulatie. Inherent aan dit proces staan voortdurende crises als gevolg van de tegenstelling tussen het creëren van meerwaarde door kostenminimalisering en anderzijds de omstandigheid dat
meerwaarde alleen gerealiseerd kan worden wanneer arbeiders in staat zijn goederen te kopen. Voorwaarde voor accumulatie is dus een toenemende vraag naar goederen, maar die vraag blijft achter door de lage lonen. Dus is een geografische expansie nodig (bv.
kolonialisme) om nieuwe afzetgebieden te vinden. Uiteindelijk is dat een tijdelijke oplossing omdat de ruimte eindig is. Kapitaalaccumulatie gaat ook gepaard met intensivering van het grondgebruik. Tegenwoordig zien we dat het streven naar kapitaalaccumulatie een van de oorzaken van het enorme versnellingsproces in onze samenleving is, met als gevolg de tijd-ruimteverdichting (
tijd-ruimtecompressie). Het is met name dit onderwerp dat door Harvey in zijn laatste, inmiddels befaamde, studie The Condition of postmodernity (1989) uitvoerig wordt behandeld.
Relatie tussen ruimte en samenlevingEen belangrijk aspect van de maatschappijkritische geografie is dat men de wijze waarop de ruimte gestalte krijgt niet los wil zien van de samenleving. Een theorie over de manier waarop de ruimte tot ‘handelswaar’ is geworden en als zodanig functioneert, is altijd een theorie over de maatschappij en haar productiewijze. Deze relatie wordt niet als
symmetrisch gedacht, maar over de mate van ongelijkheid tussen de invloed van maatschappij en ruimtelijke structuur wordt verschillend gedacht. Eigenlijk zijn er drie groepen van onderzoekers die gerangschikt kunnen worden van
orthodox tot meer
liberaal:
- de maatschappelijke structuur determineert volledig de ruimtelijke structuur. Dat is het meest orthodoxe standpunt, waarin doorklinkt dat de economische onderbouw de overige sectoren van de maatschappij bepaalt
- de ruimtelijke structuur heeft wel een zekere autonomie, maar is uiteindelijk wel ondergeschikt aan de maatschappelijke (economische) structuur. Harvey en Castells kunnen tot deze stroming worden gerekend
- ruimte en maatschappij zijn gelijkwaardig en beïnvloeden elkaar wederzijds
ToepassingDe maatschappijkritische geografie heeft nieuwe terreinen van onderzoek ontsloten of bestaande terreinen vanuit een andere gezichtshoek benaderd. Zo zijn er die aandacht hebben geschonken aan de ruimtelijke verdeling van maatschappelijke diensten vanuit een bezorgdheid voor een rechtvaardige verdeling van goederen en diensten. Dat is de zogenaamde
welzijn-benadering, waar de ruimtelijke verdeling van de
gezondheidszorg, de subsidiestromen of van macht en kennis centraal staat. Het gaat dan om de kwaliteit van het bestaan. De altijd aanwezige spanning tussen economische doelmatigheid en
sociale rechtvaardigheid bij het inrichten van de ruimte vormt voor deze
geografen een steeds terugkerend onderzoeksonderwerp.
Daarnaast wordt de zogenaamde institutionele benadering (
institutioneel: Alles wat betrekking heeft op instellingen, instituten of organisaties, of daarvan afhangt. Het kan gaan om iets dat behoort tot een instituut (bijvoorbeeld institutionele beleggers), iets dat betrekking heeft op een instituut (bijvoorbeeld institutionele administratie, de administratie die uitgaat van staatsinstellingen), iets dat gericht is op een instituut (bijvoorbeeld institutioneel wantrouwen, wantrouwen van de burger jegens de overheidsinstellingen). 'Institutioneel' heeft in bepaalde contexten een betekenis die gedeeltelijk overlapt met die van 'structureel': iets dat systematisch en complex is, en het instituut (de overheid, de maatschappij) doordringt in al haar facetten. In een juridische context bedoelt men met 'institutioneel' vooral: wat een verband houdt met staatsinstellingen of staatsrecht.) onderscheiden waarbij de aandacht wordt gericht op de besluitvormers in de wijze waarop ruimtelijk relevante beslissingen tot stand komen. Wie beslist over de toewijzingen op de schaarse
woningmarkt, wie beslist over de vestiging van
industrie en diensten (
Tertiaire sector en
Quartaire sector en
Zakelijke dienstverlening), wat is de rol van de
overheid of van de institutionele
beleggers /
projectontwikkelaars? Hun invloed is groot bij de verdelingsvraagstukken van de ruimte.
Een laatste toepassingsgebied waar de maatschappijkritische geografie actief is geweest is de geografie van de
ontwikkelingslanden of zo men wil van de derde wereld. Hier is de
dependencia-school invloedrijk geweest. De onderontwikkeling wordt daarbij niet primair verklaard vanuit de interne problematiek van de landen, maar vanuit hun afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de rijke landen in de wereld.
Waardering en kritiekNaast waardering is er ook kritiek op de uitgangspunten van de maatschappijkritische geografie. Waardering is er voor de nadruk op de relatie maatschappij - ruimte en voor het bewust maken van ruimtelijke machtsrelaties en conflicten. Daarnaast voor het groeiende besef dat wetenschap niet waardevrij is en dat met wetenschappelijke kennis in de samenleving veel goeds kan worden gedaan maar ook veel kan worden misdaan.
De kritiek geldt het soms dogmatische karakter van de opvattingen van radicaal geografen en de geringe bereidheid om hun opvattingen daadwerkelijk te toetsen. Daarnaast is er een zekere afkeer van het abstracte marxistische jargon en ook wijst men de eenzijdige belangstelling voor politiek-economische vraagstukken af.