Handel - 1

Handel omvat de overdracht van goederen en of diensten van de ene persoon of entiteit naar de andere, vaak in ruil voor geld. Economen verwijzen naar een systeem of netwerk dat handel mogelijk maakt als een markt. Een vroege vorm van handel, ruilhandel, zag de directe uitwisseling van goederen en diensten voor andere goederen en diensten. Ruilhandel houdt het verhandelen van dingen in zonder het gebruik van geld. Toen een van beide ruilpartijen edelmetalen begon te betrekken, kregen deze zowel symbolisch als praktisch belang. Moderne handelaren onderhandelen over het algemeen via een ruilmiddel, zoals geld. Als gevolg hiervan kan kopen worden gescheiden van verkopen of verdienen. De uitvinding van geld (en later van krediet, papiergeld, munten = chartaal geld en giraal geld) sterk vereenvoudigde en bevorderde de handel. Handel tussen twee handelaren wordt bilaterale handel genoemd, terwijl handel waarbij meer dan twee handelaren betrokken zijn, internationale handel wordt genoemd.
Volgens een moderne opvatting bestaat handel als gevolg van specialisatie en de arbeidsdeling, een overheersende vorm van economische activiteit waarin individuen en groepen zich concentreren op een klein aspect van de productie, maar hun output gebruiken in de handel voor andere producten en behoeften. Handel bestaat tussen regio's, omdat verschillende regio's een comparatief voordeel (vermeende of echte) kunnen hebben in de productie van sommige grondstoffen inclusief productie van natuurlijke hulpbronnen die schaars of elders beperkt zijn. Bijvoorbeeld: de grootte van verschillende regio's kan massaproductie stimuleren. In dergelijke omstandigheden kan handel tegen marktprijzen tussen locaties beide locaties ten goede komen.
Detailhandel bestaat uit de verkoop van goederen of koopwaar vanaf een zeer vaste locatie (zoals een warenhuis, boetiek of kiosk), webwinkel, in kleine of individuele partijen voor directe consumptie of gebruik door de koper. De groothandel wordt gedefinieerd als handel in goederen die als handelswaar worden verkocht aan detailhandelaren of aan industriële of aan andere groothandels en aanverwante ondergeschikte diensten.

Historisch gezien nam de openheid voor vrijhandel in sommige gebieden aanzienlijk toe van 1815 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914. De handelsopenheid nam opnieuw toe tijdens de jaren 1920, maar stortte in (met name in Europa en Noord-Amerika) tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig. De openheid van de handel nam vanaf de jaren vijftig weer aanzienlijk toe (zij het met een vertraging tijdens de oliecrisis van de jaren zeventig). Economen en economische historici stellen dat de huidige niveaus van openheid van de handel de hoogste zijn die ze ooit zijn geweest.


Goederen zijn in de economie alle zaken die in het economisch verkeer een waarde bezitten.

Clubgoederen
Clubgoederen of 'artificieel schaarse goederen' zijn economische goederen waarvan gebruik niet rivaliserend is, en waarbij individuen uitgesloten kunnen worden. Het begrip is geïntroduceerd door Mancur Olson. Het niet rivaliserende karakter komt tot uiting in het gegeven dat de beschikbaarheid van het goed niet afhangt van de (hoeveelheid) consumptie door een derde. Doordat individueel gebruik uitgesloten kan worden, is het mogelijk clubgoederen door de gebruiker te laten betalen. Voorbeelden van clubgoederen zijn: kabeltelevisie en computerbestanden. Als de beschikbaarheid ruim is kan dit bij benadering gelden, bijvoorbeeld voor communicatie (telefoonnet, internet) in het geval van grote capaciteit, het lenen van boeken bij een bibliotheek, en het reizen met openbaar vervoer of bezoeken van een museum op rustige tijden.


Collectief goed
Een collectief goed is een goed waarbij het onmogelijk is om mensen die niet betalen van gebruik van het goed uit te sluiten en waarbij de consumptie door de een niet ten koste gaat van de consumptie door de ander. Een andere benaming hiervoor is een publiek goed. In de volksmond worden collectieve goederen echter ruimer gedefinieerd als goederen die door de overheid worden betaald en onderhouden, maar waar de burger gratis gebruik van mag maken.
Voorbeelden van collectieve goederen zijn dijken en het leger. De dijk houdt het water tegen voor iedereen, ook de mensen die niet meebetalen. Het leger verdedigt een heel gebied en daarmee ook mensen die niet meebetalen. Een collectief goed wordt meestal beschouwd als een goed argument dat de overheid er zorg voor dient te dragen. De overheid zorgt dan dat iedereen meebetaalt via algemene belastingheffing. Zodoende wordt het probleem voorkomen dat de dienst niet tot stand komt, omdat iedereen hoopt dat anderen ervoor zullen betalen. Ook wordt daarmee het free-riders probleem voorkomen, het probleem dat mensen gratis de vruchten plukken van een door anderen gefinancierde dienst.

Er zijn drie soorten collectieve voorzieningen te onderscheiden:
  • zuiver collectieve goederen:
  • quasi-collectieve goederen:
    • gedeeltelijk profijtbeginsel, overheid creëert een pseudomarkt door middel van contributiesystemen, waarbij de gebruikers toch een zekere bijdrage in de financiering van de betrokken collectieve voorziening moeten betalen. Die financiering blijft evenwel in hoofdzaak op de algemene middelen steunen, zoals De Lijn, de NMBS, het autowegennet in sommige landen zoals de péage in Frankrijk, het onderwijs en collectieve sportaccommodatie
  • semicollectieve (semiprivate) voorziening:
    • de allocatie van de betrokken goederen en diensten gebeurt wel door de markt, maar de betrokken instellingen krijgen een aanzienlijke overheidssubsidie met de bedoeling het hun mogelijk te maken beneden kostprijs te verkopen en aldus de consumptie te stimuleren. Eventueel kan de overheid ook direct aan de consument bij aankoop van deze goederen een subsidie geven, terwijl ze tegen marktprijzen worden verkocht. De producenten- of consumentensubsidie vertegenwoordigt het publieke element in het aanbod van de semicollectieve of semiprivate goederen. Voorbeelden zijn bibliotheken en theaters.


Commodity
Een commodity is een bulkgoed, een massa-geproduceerd ongespecialiseerd product, veelal een vervangbaar goed als grondstoffen en agrarische producten. Als zodanig is het ook een beleggingsklasse: commodity's worden verhandeld via termijncontracten op de beurs, maar ook daarbuiten.
Een exacte definitie van commodity's is niet eenvoudig te geven. De commodity's hebben de volgende eigenschappen:
  • De prijs komt tot stand door vraag en aanbod op de markt, niet door een kosten-met-opslag methode door de producent
  • Specificaties van de goederen worden gestandaardiseerd aangegeven, er is onder de goederen geen verschillende kwaliteit
  • De goederen kunnen fysiek worden geleverd, maar dat is niet noodzakelijk het geval
  • De goederen kunnen een redelijke termijn opgeslagen en bewaard worden (met uitzondering van elektriciteit)
  • De kwaliteit is uniform, verschillende producenten leveren identieke goederen
  • Het gaat om grote hoeveelheden


Complementair goed
Complementaire goederen zijn in de economie goederen die elkaar aanvullen. Het gebruik is positief gerelateerd aan het gebruik van een bepaald product, wat betekent dat een verhoogde vraag naar het ene product zal resulteren in een verhoogde vraag naar het complementaire goed. De prijselasticiteit van complementaire goederen is negatief. Een modern voorbeeld van complementaire goederen zijn dvd-spelers en dvd's. Naarmate meer dvd's worden verkocht, zullen dvd-spelers ook populairder worden - en omgekeerd. Een ouderwets, vergelijkbaar voorbeeld zijn pijptabak en pijpen. Na een drastische stijging in de prijs van pijptabak zal de vraag naar tabakspijpen ook instorten. Behalve er pijptabak mee roken kan men immers niet zo veel met een pijp. Nog een ander voorbeeld zijn auto's. Naarmate er meer auto's worden verkocht zal de vraag naar brandstof ook toenemen.


Consumptiegoed
Een consumptiegoed is elk tastbaar goed dat geproduceerd wordt om vervolgens door de consument, om haar noodzaak aan dit goed te bevredigen, geconsumeerd te worden. Consumptiegoederen zijn goederen die eerder gebruikt worden voor directe consumptie dan voor de productie van een ander goed, waarvoor kapitaalgoederen meer voor in aanmerking komen. Wanneer men over consumptiegoederen spreekt in de context van het bruto binnenlands product (bbp), heeft men het enkel over nieuwe consumptiegoederen.

Consumptiegoederen kunnen worden ingedeeld op de volgende manieren:
Duurzame consumptiegoederen hebben meestal een aanzienlijke levensduur met een minimum van 1 jaar. Kapitaalgoederen, zoals machines, gebouwen of andere apparatuur, zijn duurzame producten waarvan de levensduur door de fabrikant bepaald wordt voor de verkoop. De lange levensduur en vaak hogere kosten zorgen ervoor dat consumenten hun aankoop uitstellen, wat ervoor zorgt dat duurzame goederen vaak het meest kostprijs-afhankelijk onderdeel van de consumptie is.

Niet-duurzame consumptiegoederen worden vaak gekocht om ofwel meteen te verbruiken of om ze te bewaren voor een zeer korte tijd. De levensduur van niet-duurzame consumptiegoederen kan in het algemeen variëren van enkele minuten tot drie jaar. Voorbeelden van deze goederen zijn voedsel, dranken, kleding, schoenen en brandstoffen zoals benzine.

Diensten zijn immaterieel of niet-tastbaar. Ze kunnen niet worden gevoeld, gezien of geproefd door de consument, maar ze bevredigen wel haar behoeften. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en variabel, waarmee bedoeld wordt dat tegelijkertijd geproduceerd en geconsumeerd worden. Voorbeelden van diensten zijn kapsalons, reparaties aan auto's, taxidiensten.

Consumptiegoederen kunnen ook ingedeeld worden naargelang het koopgedrag van de consument:
Convenience goods (gemaksgoederen)
Gemaksgoederen zijn goederen die gemakkelijk beschikbaar zijn voor de consument, zonder daarvoor extra inspanningen te moeten leveren. In het algemeen komen deze goederen voor in de categorie van de verbruiksgoederen met een lage waarde. Deze goederen worden meestal verkocht door groothandelaren of detailhandelaren, om ze zo beschikbaar te maken voor de consument in kleine of grote hoeveelheden. Gemaksgoederen kunnen op hun beurt onderverdeeld worden in:
  • Levensnoodzakelijke gemaksgoederen.Zijn gemaksgoederen die bijdragen tot de basisbehoeften van de consument. Deze goederen zijn makkelijk en in grote hoeveelheden verkrijgbaar. Voorbeelden hiervan zijn melk, suiker, brood etc.
  • Impulsieve gemaksgoederen. Zijn gemaksgoederen die niet-prioritair zijn voor de consument. Deze goederen worden zonder voorafgaande planning gekocht (op basis van een impuls). Voorbeelden hiervan zijn snoep, wafels, ijs, lolly's etc.

Shopping good (keuzegoederen)
Keuzegoederen zijn goederen waaraan de consument veel tijd moet besteden en goed plannen alvorens ze tot een aankoop overgaan. De consument kiest in dit geval door middel van selectie en vergelijking op basis van verschillende parameters zoals kosten, merk, stijl, comfort etc. welk goed hij zal kopen. Keuzegoederen zijn duurder dan gemaksgoederen maar ook duurzamer van aard. Bedrijven die consumptiegoederen verkopen proberen hun filialen en showrooms te plaatsen in winkelzone's om de aandacht van de klant te trekken. Ook advertenties en promoties spelen een belangrijke rol in dit onderdeel van de consumptiegoederen. Voorbeelden van deze goederen zijn kleding, televisies, radio's, schoenen, woninginrichting etc. Keuzegoederen worden onderverdeeld in homogene shopping goods en heterogene shopping goods. Homogene shopping goods zijn goederen die door de consumenten als identiek worden gezien. Hierbij wordt enkel gelet op de prijs van een product. Bij heterogene shopping goods zien de consumenten de verschillen tussen de alternatieve producten. De verschillen worden zo belangrijk gevonden dat consumenten net zo lang winkelen totdat zij het alternatief vinden die zij prefereren. Bij heterogene producten speelt de expressieve waarde, welke is toegevoegd door de consument, een grote rol.

Specialty goods (speciale goederen)
Speciale goederen zijn goederen die een uniek voorkomen hebben. Ze zijn redelijk zeldzaam en luxueus. Deze goederen worden vaak gekocht door de hogere klasse in een maatschappij omdat ze duur zijn en vaak moeilijk te veroorloven zijn voor mensen van de middenklasse of lagere klasse. Bedrijven promoten deze goederen met als doelgroep de hogere klasse. Deze goederen vallen niet onder de levensnoodzakelijke consumptiegoederen, want ze worden veeleer gekocht op basis van persoonlijke voorkeur of verlangen. Merknaam, uniciteit en bijzondere kenmerken van een speciaal goed zijn de belangrijkste eigenschappen die een consument aantrekken om dergelijk product te kopen. Voorbeelden van deze goederen zijn antiek, sieraden, luxueuze auto's etc.

Unsought goods (ongewilde goederen)
Ongewilde goederen zijn goederen die niet behoren tot een van de bovenstaande groepen. Deze goederen zijn goederen die te allen tijde beschikbaar zijn op de markt, maar slechts gekocht worden door een klein aantal consumenten op basis van hun behoefte aan deze goederen of andere specifieke redenen. In het algemeen worden deze goederen niet door de doorsnee consument gekocht. Producten die nog niet lang op de markt zijn en relatief onbekend zijn worden ook in deze categorie onderverdeeld. Voorbeelden hiervan zijn doodskist, brandblusapparaat, uitvaartverzekering etc.

Duurzaam goed
Een auto is een duurzaam goed, de benzine waarmee deze wordt aangedreven een niet-duurzaam goed. De term duurzaam goed wordt in de economische wetenschap gebruikt om goederen te duiden die niet onmiddellijk slijten, of, om preciezer te zijn, hun nut in de loop van de tijd vrijgeven, en niet in één keer geconsumeerd worden. Zaken zoals bakstenen of juwelen kunnen als perfect duurzame goederen beschouwd worden, daar deze nagenoeg nooit versleten raken; hoog-duurzame goederen zoals koelkasten, auto's en klassieke mobiele telefoons hebben gewoonlijk drie of meer jaren nut. Bekende duurzame consumentengoederen zijn auto's huishoudelijke apparaten, meubilair en speelgoed. Niet-duurzame goederen (ook wel aan geduid als soft goods of fast-moving consumer goods) zijn het tegenovergestelde van duurzame goederen; hieronder worden goederen verstaan die hetzij in één keer opgebruikt worden (eten, benzine), hetzij die een levensduur van minder dan drie jaar hebben (rol wc-papier, smartphones, polkadotpumps). Waar duurzame goederen zowel gehuurd als gekocht kunnen worden, kunnen niet-duurzame goederen meestal niet gehuurd worden. Waar de aanschaf van duurzame goederen meestal wordt gerekend tot de investeringsvraag van goederen, vallen niet-duurzame goederen veelal onder de consumptieve vraag.


Giffen-goed
Een Giffen-goed is in de economie een goed met een positieve prijselasticiteit. Dit betekent dat bij een stijgende prijs de gevraagde hoeveelheid omhoog gaat en dat bij een dalende prijs de gevraagde hoeveelheid omlaag gaat. Een Giffen-goed vormt hiermee een uitzondering op andere goederen, waarbij gewoonlijk de prijselasticiteit negatief is. Hierbij geldt de ceteris paribus benadering, de verandering in de gevraagde hoeveelheid mag uitsluitend worden veroorzaakt door de verandering van de prijs van het betreffende goed. Andere factoren die de vraag bepalen, zoals inkomen, behoeften en prijzen van andere goederen worden constant verondersteld. Er zijn twee goederen, brood en vlees; een brood is goedkoper dan een stuk vlees van evenveel calorieën. Iemand wil in ieder geval een bepaald aantal calorieën binnenkrijgen, en zo veel mogelijk in de vorm van vlees. Hij heeft niet genoeg geld om alleen vlees te eten, maar wel om deels vlees te eten. Als de prijs van een brood stijgt dan zal hij besparen door een aantal stukken vlees te vervangen door hetzelfde aantal broden. De hoeveelheid brood die hij koopt zal dus stijgen, ondanks de prijsstijging. Een analoog voorbeeld is iemand die bepaalde reizen moet maken en daarvoor een budget heeft tussen dat nodig voor reizen 2e klas en dat voor reizen 1e klas. Als de 2e klas duurder wordt zal hij meer in de 2e klas moeten gaan reizen. De prijselasticiteit van zijn vraag naar 2e klas vervoer loopt op van 0 bij een prijs 0 tot een eindig maximum bij de prijs waarbij hij alleen 2e klas kan reizen. Dit geldt ook voor de totale vraag als alle reizigers zich in dezelfde positie bevinden.


Inferieur goed
Een inferieur goed is een goed waarvan de consument minder gaat kopen als zijn inkomen stijgt en waarvan hij meer gaat kopen als zijn inkomen daalt (ceteris paribus, dus als alle andere prijzen gelijk blijven). De inkomenselasticiteit van een inferieur goed is negatief. Bij een laag inkomen zal een consument bijvoorbeeld goedkoop vlees en tweedehands kleren kopen, maar als zijn inkomen hoger wordt, stapt hij over naar duurder vlees en chiquere kleding. Bij het hogere inkomen worden het goedkope vlees en de tweedehands kleren inferieure goederen. De term inferieur slaat niet op de kwaliteit van het goed. Als het inkomen maar voldoende toeneemt, zal bijna elk goed uiteindelijk worden vervangen door een in de ogen van de consument meer gewenst goed. Op dat moment wordt het vervangen goed een inferieur goed. Naast inferieure goederen zijn er normale goederen. Het is een normale reactie dat er meer van zo'n goed gekocht wordt als het inkomen toeneemt. De inkomenselasticiteit van deze goederen is positief. Normale goederen zijn te verdelen in primaire goederen, die minder sterk reageren op een inkomensverandering, en luxe-goederen die in verhouding sterk reageren op een inkomensverandering.


Kapitaalgoed
Een kapitaalgoed is een goed dat is bestemd voor ondernemers waarmee zij hun onderneming kunnen voeren. Bijvoorbeeld een hijskraan voor een bouwonderneming, een vrachtauto voor een transportbedrijf of een broodbakmachine voor een bakkerij. De kapitaalgoederen maken een belangrijk deel uit van het kapitaal. Liquide middelen (kas, bank) maken geen deel uit van de kapitaalgoederen, maar wel van het kapitaal.

De term kapitaalgoed impliceert, dat er langdurig vermogen (kapitaal) nodig is om deze investering te financieren. Het begrip wordt vooral in de economische studie aangewend, ter onderscheid consumptiegoederen.

Luxegoederen
Een luxegoed of secundair goed is een goed dat niet direct in de eerste levensbehoefte van de consument voorzien, maar waaraan de consument wel een zeker nut onttrekt. Luxegoederen zijn een economisch goed waarnaar bij een stijging van het inkomen een meer dan evenredige stijging ontstaat. Kenmerk van luxegoederen is de aanwezigheid van een drempelinkomen. Luxegoederen kunnen worden geplaatst tegenover primaire of noodzakelijke goederen. Dit zijn goederen die ook gevraagd worden als er geen inkomen is. Bij een stijging van het inkomen zal er bij noodzakelijke goederen dan ook een minder dan evenredige stijging van de vraag naar dat goed ontstaan. De inkomenselasticiteit van noodzakelijke goederen is, net als die van luxegoederen positief, maar de waarde zal liggen tussen 0 en 1. Het tegengestelde, een goed waarnaar bij een stijging van het inkomen minder vraag is, is een inferieur goed. Als het inkomen maar voldoende toeneemt, zal bijna elk goed uiteindelijk worden vervangen door een in de ogen van de consument meer gewenst goed. Op dat moment wordt het vervangen goed een inferieur goed, ook als dat goed bij een lager inkomen nog een luxegoed was. De term luxe in luxegoederen staat los van luxe in de subjectieve betekenis van niet-noodzakelijk belang. Het begrip luxe in de micro-economie geeft slechts de specifieke wijze aan waarop de vraag naar dat goed zich op ontwikkelt bij een verandering van het inkomen van een consument. Het kenmerken van een primair goed ten opzichte van een secundair goed brengt altijd een zekere mate van arbitrage met zich mee, want wat voor de ene consument aangemerkt kan worden als primair, is voor een ander persoon misschien juist luxe. Het Centraal Bureau voor de Statistiek in Nederland heeft daarom voor haar berekeningen van de Nederlandse kengetallen van de macro-economie een duidelijk onderscheid gemaakt tussen deze twee, om tot bruikbare uitspraken te komen.


Primair goed
Een primair goed, ook wel 'noodzakelijk goed', is een goed dat voorziet in de eerste levensbehoefte van de consument. Zo zijn water, voedsel en lucht primaire goederen. Het moet hierbij wel om goederen gaan die echt essentieel zijn. Zo is het in te denken dat brood en aardappelen als eerste levensbehoefte aangemerkt worden, maar chips en frisdrank niet. Deze laatste goederen zijn luxegoederen of secundair goed. In de economische wetenschap is de definitie van een primair goed: een goed met een inkomenselasticiteit van 0 tot 1, oftewel inelastisch. Mensen kopen het sowieso, hoe duur het ook is, vanwege de levensbehoefte. En als het inkomen stijgt, zal de verkochte hoeveelheid ervan slechts weinig meestijgen, men gaat er niet veel méér van kopen.


Private goederen
Private goederen zijn in de economie gedefinieerd als goederen die uitsluitbaar en rivaliserend zijn. Private goederen zijn tegengesteld aan publieke goederen. Uitsluitbaar betekent: Sommige consumenten kunnen uitgesloten worden van het gebruik van dit goed (economie). Bijvoorbeeld: Iemand heeft een goed gekocht en beslist zelf wie gebruikmaakt van het goed. Rivaliserend betekent: Als het goed gebruikt is kan het niet nogmaals of tegelijkertijd geconsumeerd worden door anderen.


Publieke goederen
Publieke goederen zijn goederen die niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend zijn. Dit houdt in dat je mensen niet kunt uitsluiten of beletten het te gebruiken. De consumptie van een publiek goed beperkt evenmin het vermogen van iemand anders om het te gebruiken (in tegenstelling tot een privaat goed). Er zijn maar weinig echt publieke goederen. Zelfs infrastructuur is niet een volledig publiek goed, want er zijn tolpoortjes zoals bij snelwegen mogelijk. Bij zuiver publieke goederen gaat het gebruik door de een niet ten koste van de ander. Wordt slechts aan een van de twee voorwaarden voldaan dan is er sprake van een semipubliek goed.

Voorbeelden van publieke goederen zijn:
  • defensie (een heel land wordt verdedigd, of je dat nu wil of niet)
  • vuurwerk (iedereen kan het bekijken),
  • dijken (iedereen wordt beschermd),
  • schone lucht (die iedereen inademt)
  • .
Sterk gerelateerd aan publieke goederen is het 'free rider' probleem. Omdat niemand zich gedwongen voelt te betalen voor deze publieke goederen of diensten, wordt de taak om hiervoor te zorgen vaak overgelaten aan de overheid. Om deze reden voert de overheid belastingen in, omdat het individu anders mee zou kunnen profiteren/genieten van de voordelen van het systeem of dienst zonder ervoor te betalen. Free riden betekent dus het consumeren van een niet-uitsluitbaar goed, zonder daarvoor een vergoeding te betalen.


Substitutiegoed
Een substitutiegoed (ook substituut of vervangingsmiddel genoemd) is in de consumententheorie (een deelgebied van de micro-economie) een goed dat vanuit het oogpunt van de afnemer gedeeltelijk of volledig als vervanger voor een ander product kan dienen. Wanneer een bepaald goed in prijs stijgt, heeft de mens de natuurlijke reactie om op zoek te gaan naar gelijkwaardige alternatieven. Dit houdt in dat de consument op zoek gaat naar een vergelijkbaar goed. Dit op zoek gaan naar alternatieven noemt men het substitutie-effect. Het vervangende goed noemt men het substitutiegoed. Een kopje koffie zal door sommige consumenten bijvoorbeeld gezien worden als een substitutiegoed voor een kopje thee; soms hebben zij zin in thee, soms hebben zij zin in koffie. In tegenstelling tot een complementair goed, is een substitutiegoed een goed met een positieve kruislingse elasticiteit. Wanneer de prijs van het ene goed wordt verhoogd, betekent dit dat de vraag naar het andere goed stijgt. Omgekeerd neemt de vraag naar een goed af, wanneer de prijs van een ander goed wordt verlaagd. Indien de goederen A (Coca-Cola) en B (Pepsi-Cola) substituten zijn, zal een stijging van de prijs van goed A resulteren in een naar links gerichte beweging langs de vraagcurve van A. Ook zal de vraagcurve voor goed B naar buiten verschuiven. Een afname van de prijs van goed A zal in een beweging naar rechts langs de vraagcurve van A resulteren, waardoor de vraagcurve voor goed B naar binnen (naar de oorsprong toe) verschuift.
Klassieke voorbeelden van substitutiegoederen zijn bijvoorbeeld de combinaties margarine en boter of thee en koffie. Substitutiegoederen komen niet alleen aan de consumentenkant van de markt, maar ook de producentenkant voor. Substitueerbare productiegoederen zijn onder meer: aardolie en aardgas (dat wordt gebruikt voor verwarming of elektriciteitsopwekking). De mate waarin een goed een perfecte substituut heeft, hangt af van hoe specifiek het goed is gedefinieerd. Neem bijvoorbeeld de vraag naar durum (grondstof voor pasta), een zeer nauw omschreven goed in vergelijking met de vraag naar granen in het algemeen. Het feit dat het ene goed substitueerbaar is voor het andere goed heeft directe economische gevolgen: in zoverre dat het ene goed kan worden vervangen door een ander goed. Het feit dat klanten het ene goed voor het andere goed kunnen inruilen dwingt er toe de vraag naar de twee soorten goederen samen in beschouwing te nemen.


Veblen-goed
In de economie is voor de meeste producten de prijselasticiteit van de vraag negatief. Dit betekent dat bij een stijgende prijs de gevraagde hoeveelheid omlaag gaat en bij een dalende prijs omhoog. Een Veblen-goed vormt, samen met een Giffen-goed, hierop een uitzondering; de prijselasticiteit van de vraag van dat goed is positief. Bij een stijgende prijs van dit goed zal de gevraagde hoeveelheid van dat goed juist stijgen. Veblen-goederen zijn genoemd naar Thorstein Veblen. Een voorbeeld van Veblen-goed zijn juwelen. Deze zijn door hun hoge prijs exclusief, waardoor hun bezit als statusverhogend wordt beschouwd. Bij een eventuele prijsverlaging zal voor sommige vragers het exclusieve karakter verloren gaan en neemt de vraag af, terwijl er door de toch nog hoge prijs geen nieuwe vragers bij komen.


Vervangbaar goed
Een vervangbaar goed of fungibel goed is een goed dat dusdanig homogeen is dat het volkomen inwisselbaar is. Het goed kan vervangen worden door een gelijke hoeveelheid van dezelfde soort. Voorbeelden zijn valuta, aandelen, obligaties en commodities als olie en edele metalen. Zo kan een uitgeleend briefje van10 euro zonder problemen worden vervangen door een geheel ander briefje van 10 euro. Bij het uitlenen van een auto gaat dit niet op.


Vrij goed
Een vrij goed is iets wat geen productiemiddelen kost om het te produceren. Voorbeelden zijn: een wandeling, zonlicht en regen. Het tegenovergestelde is schaarste. Doordat vrije goederen zelf niet schaars zijn en de productie ervan ook geen gebruik maakt van (schaarse) productiemiddelen, is het 'gebruik' van vrije goederen vaak gratis. Een uitzondering hierop zijn immateriële goederen zoals de reproductie van uitvindingen die beschermd kunnen worden door het octrooirecht. De bedenker van een vinding of de componist van een muziekstuk steekt wel schaarse productiemiddelen (in ieder geval zijn eigen schaarse tijd) in het creëren ervan. Dankzij wet- en regelgeving rondom intellectueel eigendom kan hij ook een vergoeding opeisen voor de reproductie van zijn creatie, ook al gaat het in economisch opzicht hier om 'vrije goederen'.

Klik op een nummer in het raster om de aanwijzing of aanwijzingen voor dat nummer te zien. Als je vastzit, kun je op "Hint" klikken om een letter te krijgen. Men verliest dan wel punten. Vul het kruiswoordraadsel volledig in en klik vervolgens op de toets "CONTROLEER", om je antwoorden te controleren.

Men kan naargelang de gebruikte browser, de oefening opnieuw maken, door met de rechtermuistoets te klikken op het scherm. Er opent zich een nieuw venster. Als er in dat venster het woord "vernieuwen" staat kan men daar op klikken.
1          2          3       4                    
                  5                       
  6                                       
 7                                        
   8              9                     10       
                            11             
12                13                           
                                       
      14                              15       
16                                         
      17          18                  19           
    20                                     
21               22    23         24     25    26              
                    27                     
            28                 29              
                                       
         30                    31              
                    32                     
        33                     34        35        
 36                    37      38                  
        39   40        41                          
                             42            
   43    44            45          46     47               
            48                             
    49                50          51               
            52                             
 53                          54                
       55      56                              
57    58                                       
      59                   60                  
                                       
    61                                     
                                       
      62   63                  64                  
                                       
                      65                   
     66                                    
                                       
                                       
      67                                   

Horizontaal

1. Een geordende verzameling van gegevens in elektronische vorm, die door het elektronische apparaat (computer, smartphone, digitale videorecorder en dergelijke) onder één naam kan worden behandeld en aangesproken.
5. Een verzamelnaam voor de vruchten van eenzaadlobbige cultuurgewassen uit de familie van de grassen die samen wereldwijd de belangrijkste voedingsbron voor de mens vormen.
6. Het opsplitsen van taken of arbeid.
8. Het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak.
9. Materiaal dat in een proces gebruikt wordt om iets te maken of te fabriceren.
11. Een waardepapier dat een aantal rechten met betrekking tot een vennootschap geeft.
12. Het leveren van fysieke goederen voor persoonlijk gebruik aan de consument.
13. Het gebruik van goederen en diensten voor behoeftebevrediging.
14. De verzameling natuurkundige verschijnselen die te maken hebben met elektrische lading en elektrische velden.
15. Een scheikundig element met symbool Au (aurum) en atoomnummer 79. Het is een geel metalliek overgangsmetaal.
16. Een meestal warm genuttigde drank, die wordt bereid op basis van water en gedroogde en gebrande pitten van de koffieplant (Coffea spp.) die vanwege hun vorm koffiebonen worden genoemd.
18. Een niet op naam gesteld waardepapier met een vaste, niet te wijzigen nominale waarde dat meestal uitgegeven wordt door een centrale bank of een overheid.
19. In Frankrijk het recht van de beheerder van een vaarweg of landweg een heffing op te leggen voor het gebruik ervan inclusief kunstwerken als bruggen en tunnels.
20. Een website waarop handelswaar te koop wordt aangeboden.
21. Binnen de bebouwde kom ook straat genoemd) is een smalle strook die is aangelegd over land of op een kunstmatige structuur (bijvoorbeeld een dijk of een brug), en die, meestal door middel van wegverharding, geschikt is gemaakt voor wegverkeer.
23. Wordt als benaming gebruikt voor het serveren van een maaltijd met deeg.
24. Een instrument om smeulende tabak te consumeren (roken).
28. Een verzameling boeken en andere documenten, of de plaats waar een dergelijke verzameling beheerd wordt.
29. De benaming die in zwang kwam voor een vervangingsproduct voor boter.
30. Een vrij, onbelemmerd verkeer van goederen en diensten tussen verschillende landen.
31. In de economie alle zaken die in het economisch verkeer een waarde bezitten.
32. Enig object of enige toetsbare vermelding dat in een bepaald land of binnen een gegeven sociaal-economische context algemeen wordt aanvaard als betaling voor goederen en diensten en de terugbetaling van schulden.
33. Eenieder die economische activiteiten ontplooit met winstoogmerk, gebruikmakend van eigen (of geleend) vermogen.
34. Iemand die zich bezighoudt met de wetenschap der economie of deze toepast.
36. Een klein gebouwtje. Dit kan een winkel zijn, zoals een krantenwinkel, maar de term wordt ook gebruikt voor een open ronde muziektent.
37. Een meestal metalen toren, uitgevoerd met kabels en katrollen. Een kraan wordt gebruikt om goederen omhoog te hijsen, te laten zakken of om objecten te verplaatsen.
39. Een metaal dat bestand is tegen corrosie en oxidatie.
42. De prijs die in een bepaalde markt tot stand komt. Deze prijs kan door de effecten van vraag en aanbod verschillen van de evenwichtsprijs (neoklassieke economie) of productieprijs (klassieke economie).
43. Een wereldwijd openbaar netwerk van computernetwerken.
45. Een warme drank die wordt gemaakt door infusie van de gedroogde bladeren van de theeplant Camellia sinensis.
46. Een door mensen aangelegde waterkering die het achterliggende land beschermt tegen schade als gevolg van hoogwater en overstromingen.
48. Een zelfstandig voortbewegend, rijdend vervoermiddel.
49. Door de overheid verdedigen van het eigen grondgebied tegen een vijandig land dat dat grondgebied of een gedeelte ervan probeert te confisqueren.
50. Het verplaatsen van personen of goederen.
51. Een rechtsband tussen de overheid en een rechtssubject (de belastingplichtige) waarbij een heffing of prestatie wordt opgelegd ten behoeve van een overheid met als doel in de openbare uitgaven te voorzien.
52. Een geheel van door een staat opgerichte gewapende organisaties en ondersteunende voorzieningen ten dienste van de militaire implicaties van het buitenlands beleid.
53. Een officieel geldig betaalmiddel van een land.
54. Betrof een wereldwijd opzettelijk gecreëerd tekort aan aardolie.
55. Het geheel van economische activiteiten waarbij het land wordt gebruikt ten behoeve van de productie van planten en dieren voor menselijk gebruik.
57. Een scheikundig element met symbool Ag en atoomnummer 47. Het is een wit overgangsmetaal.
59. Een brandbare vloeistof, bestaande uit een mengsel van koolwaterstoffen dat over miljoenen jaren is ontstaan uit organische mariene resten die zich op de zeebodem van destijds hebben afgezet, met name afgestorven plankton.
60. Een scheikundig element met symbool Pd en atoomnummer 46. Het is een zilverwit overgangsmetaal.
61. De bedrijfstak die het spoorvervoer verzorgt.
62. Een kleine winkel die zich specialiseert in producten als merkkleding en sieraden voor de hogere klassen.
64. Persoon of huishouden die goederen en diensten consumeren die worden geproduceerd in de economie.
65. Iemand die verschillende waren opkoopt en ze vervolgens weer te koop aanbiedt.
66. Een benaming voor alle uit de grond ontwijkende gassen, maar bijna uitsluitend gebruikt voor fossiele brandstoffen.
67. Een plaats waar koopwaar wordt aangeboden en verkocht.

Vertikaal

2. Wordt het onderwijs bedoeld aan kinderen in de leeftijd van ongeveer vier jaar tot twaalf jaar (soms tot 13 of 14 jaar).
3. De gekarnde room van melk
4. Een verkoopgelegenheid die op een plein of in een straat wordt georganiseerd, en waar marktlieden op (huur)kramen of in (eigen) verkoopwagens waar aan de man proberen te brengen.
7. Een netwerk waarbij telefoontoestellen onderling verbonden zijn en het elektrische signaal van het ene naar het andere toestel wordt overgebracht.
9. Een (commerciële) onderneming die voor eigen rekening en risico goederen verhandelt die buiten de eigen onderneming zijn vervaardigd.
10. Zijn economische goederen waarvan gebruik niet rivaliserend is, en waarbij individuen uitgesloten kunnen worden.
17. Een verhandelbaar schuldbewijs voor een lening die door een overheid, een onderneming of een instelling is aangegaan.
19. Is in de Italiaanse keuken de benaming voor deegwaren van harde tarwe.
20. Een grote winkel, vaak met meerdere verdiepingen, die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt.
22. De vorm van handel waarbij goederen geruild worden voor andere goederen, zonder tussenkomst van geld.
25. Tabak die gerookt wordt in een pijp.
26. Producten die overeenkomstig zijn op alle vlakken.
27. Een vorm van investering waarbij geld wordt vastgelegd voor langere of kortere tijd met als doel om in de toekomst financieel voordeel te behalen.
35. Een stuk materie, veelal metaal, dat als geld gebruikt wordt, gewoonlijk in de vorm van een schijfje.
38. Een zeker kapitaal (meestal geld) dat aan iemand is verstrekt maar waar op een zekere termijn een dienst of terugbetaling voor verschuldigd is, dus eigenlijk een economische term voor lening.
40. Transacties waarbij een niet-fysiek goed wordt geleverd.
41. Een weg gelegen buiten de bebouwde kom en uitsluitend bestemd voor gemotoriseerd verkeer dat harder kan en mag rijden dan 50 km/h.
44. Een verzamelnaam voor kunstvormen waarbij acteurs levende voorstellingen maken voor een publiek.
47. De populaire naam waarmee een netwerk wordt aangeduid dat radio- en televisiesignalen vanuit één punt via een bedraad netwerk naar de huiskamer brengt.
56. Zijn goederen die niet per stuk worden verpakt en geladen zoals containers, pallets of dozen maar los in het ruim van een schip, of in een vrachtwagen of wagon worden gestort.
58. Het homogene mengsel van gassen in de onderste lagen van de aardatmosfeer.
63. Een exclusief (uitsluitend) recht tot het industrieel maken of verkopen van een product of anderszins het exploiteren van een uitvinding.