Combineer oefening. Onderstaande teksten geven extra informatie!
Meanderen Het slingeren van rivieren. Hierdoor vindt aanwas plaats in de binnenbocht en afslag in de buitenbocht. Hierdoor kunnen de bochten steeds groter worden of opschuiven.
Extra uitleg over mergel!Klik hier. Extra uitleg over merzlota of permafrost!Klik hier. Extra uitleg over het Mesozoicum!Klik hier.
Het Mesozoïcum Loopt van 230 tot 67 miljoen jaar geleden. Tijdens deze Era hadden de reptielen en dinosauriërs hun hoogtij. Zonder uitzondering was dit een mondiaal warme periode met een uitgesproken warmtepiek in het Jura en Krijt.
TRIAS Boven de poolstreken ligt nergens een groot continent wat voor afkoeling kon zorgen en dit resulteerde in een gestage opwarming van de aarde. Waarschijnlijk nog eens extra geholpen een hevige vulkanische activiteit welke het CO2 liet oplopen tot omstreeks het 6-voudige van het hedendaagse kooldioxide gehalte in de atmosfeer. Dit vulkanisme zou voort gekomen kunnen zijn doordat Pangea tectonisch actief werd en in het Jura zou leiden tot het openbreken van de continenten. Schaarse plantengroei was niet bij machte het overschot aan koolstofdioxide uit de atmosfeer te halen en aan het einde van het Trias bedroeg deze nog steeds het 4-voudige van de tegenwoordige waarde. Moerasbossen, resulterende in kolenlagen, vinden we pas weer aan het einde van het Trias. Daarbij komt dat het zuurstof gehalte in de atmosfeer nog steeds dalende was. Een trend welke al in het Perm was ingezet. Uiteindelijk zou het niveau dalen van 35% in het Carboon tot slechts 15%. Dit kwam vooral door oxidatie van zuurstof met de grond en onvoldoende aanmaak middels fotosynthese door planten. Al deze wijzigingen gingen zo snel dat er massale extincties optraden. Gematigde koude streken en polaire koude komt men nergens meer tegen in Trias. Tot aan het einde van het Krijt was het vanaf het Trias ook aan de poolstreken aangenaam strandweer. Het grote aaneengesloten continent bestaat uit twee opvallende delen, die als een < -vorm in elkaar steken. Het noordelijke deel is Laurazië en het grotere zuidelijke deel het Gondwana continent. Kust nabije regio's, zoals langs de stranden van Tethys Oceaan waren een stuk milder door de matigende invloed van de oceaan.
Benelux/West Europa
Het Noordzee bekken was in het Perm en Trias nauwelijks van plaats veranderd, maar door de opwarming van het klimaat werd het een stuk droger en werd deze regio een woestijn klimaat. Door de wind die waaide vanuit de eroderende bergstreken ten zuiden en westen van Nederland en Denemarken werden grote massa's zand in het Noordzeebekken neergeworpen. Van tijd tot tijd werd deze sreek geteisterd door extreme hete lucht en zandstormen. Er ontstonden vele stuifduinen (heuvels van opgewaaid rood zand). Deze zandlagen zijn later weer versteend tot bontzandsteen. Deze zandduinen lagen dicht bij de kust, vandaar dat men geraamtes van de Nothosaurus, een reptiel heeft gevonden waar nu Winterswijk ligt.
Wat later in het Trias kwam aan de afzettingen van het Bontzandsteen een einde en nam een ondiepe zee weer bezit van het Noordzee bekken. Deze Muschelkalk zee bevatte veel schelpdieren en had waarschijnlijk een verbinding met de Tethys oceaanen zo verder met de Panthalassa Oceaan die het supercontinent Pangea omvatte.
JURA Het klimaat tijdens het Jura (205-144 miljoen jaar) verschilde niet zo heel veel het klimaat van het Trias. Het was nog warmer dan in het Trias, met een lichte afkoelings periode in het midden van het Jura. Langs de kusten van de continenten heerste tot op hoge breedte een subtropisch klimaat met veel regen. Koraalriffen kwamen voor tot op 50°NB, wat wat er op wijst dat het zeewater tot op deze breedten een temperatuur heeft gehad van 18-25°C. Op einde van het Jura begon Pangea zich op te splitsen en kreeg de zee meer kans door te dringen in de binnenlanden. Geleidelijk aan werd er meer neerslag aangevoerd en werd het klimaat minder extreem. Plantengroei kreeg daardoor weer een stimulans langs de veel langere kustlijnen. Uiteindelijk steeg het zuurstofgehalte naar 25%.
KRIJT Ook in het Krijt (144-67 miljoen jaar) was het altijd warm tot zeer warm, maar begon met een lichte afkoeling. In de hooggebergten en op hoge noordelijke en zuidelijke breedte kwam het af en toe tot enkele gletsjers. Tijdens het Trias en Jura bewogen de continenten zich met gemiddeld enkele centimeter per jaar, in het Krijt zelfs 10 cm per jaar (Tegenwoordig 3 cm/jaar). Door de beweging van de continenten was er een toename van vulkanisme en een stijging van het CO2 gehalte in de atmosfeer. Dus het werd steeds warmer. In de rijkere CO2 -atmosfeer groeide de plantengroei geweldig. Het zuurstofgehalte steeg door tot 30-35%. Hoog genoeg om de grote dinosauriërs van zuurstof te voorzien welke dan ook tot enorme afmetingen konden doorgroeien. Door de warmte zette ook het zeewater uit en dat resulteerde weer in zeespiegelstijgingen. Werelwijd kregen de oceanen een geweldige volume vermeerdering waardoor veel laaggelegen gebieden overstroomde. Hoe groter het wateroppervlak hoe meer zonnestraling kon opvangen worden en hoe warmer het water. Anderzijds door het verder uit elkaar drijven van de continenten kreeg men geleidelijk aan waar een afkoeling.
HET GROTE UITSTERVEN De grootste crisis die het leven op aarde ooit doorstond, was een ramp aan het einde van het Perm (251 miljoen jaar geleden). Veel plant- en diersoorten stierven toen uit en het verlies aan biodiversiteit was enorm. Geschat wordt dat ongeveer 50 tot 70 procent van alle landsoorten en 70 tot 95 procent van de zeesoorten ophielden te bestaan. Dit massale uitsterven begon in de laatste 20.000 jaar van het Perm. Het duurde ongeveer vier miljoen jaar voordat complexe ecosystemen, zoals bossen weer geheel hersteld waren. De meeste Permplanten en dieren hadden plaatsgemaakt voor Triassoorten. Deze crisis was veel omvangrijker dan de Krijt-Tertiairramp en zowel het uitstervingsproces als de herstelperiode duurden langer. Oorzaken van deze ramp: vulkanisme, zure regens en verduistering van de zon.
Metamorfe gesteenten Door omzetting van sedimentaire gesteenten, andere metamorf gesteenten of magmatisch gesteenten bij hoge temperatuur en/of druk (zoals bij een gebergtevorming) worden metamorfe gesteenten gevormd. Bij die omzetting vindt een fysico-chemische wijziging plaats van de elementen, soms met een grote verandering van hun mineralogische samenstelling (ontstaan van nieuwe mineralen) en hun uitzicht (bijzondere textuur en structuur) tot gevolg. Door deze omzetting veranderen de eigenschappen van de oorspronkelijke gesteenten. Voorbeelden van metamorfe gesteenten:
een kwartsiet ontstaat door omzetting van een zandsteen (sedimentair gesteente) een marmer onstaat door omzetting van een kalksteen (sedimentair gesteente)
Extra uitleg over metamorfe gesteenten!Klik hier. Extra uitleg over de Mid-oceanische rug!Klik hier. Extra uitleg over MOHO!Klik hier.
Een morene Een morene bestaat uit door de schurende werking van een gletsjer verpulverd gesteente dat door de ijsmassa gedeeltelijk meegevoerd wordt. Het materiaal waar een morene uit is opgebouwd is keileem en dit is een mengsel van keien, zand en leem.
Men onderscheidt:
Grondmorenes - deze vormen het 'bed' waarop de gletsjer voortbeweegt. Met grondmorene wordt het sediment bedoeld dat door gletsjers wordt meegevoerd en wordt afgezet als de gletsjer smelt. Grondmorenes bestaan zo uit allochtoon materiaal.
Zijmorenes - deze vormen zich aan de zijkanten van het gletsjerlichaam. Een zijmorene ontstaat wanneer de gletsjer een soort van bocht maak waardoor hij het puin aan de zijkant van de gletjer afzet. Een zijmorene is de benaming voor de puinmassa's die door een gletsjer worden afgezet in een andere richting dan die van van de gletsjer zelf.
Eindmorenes - dit is de stapel verpulverd materiaal die de gletsjer voor zich uitschuift. Een hoeveelheid puin uit de bergen, dat zich voor de ijsrand heeft verzameld. Als het ijs verdwijnt blijft het morenepuin als `aandenken` over in het landschap.
Tussenmorenes - deze vorm ontstaat uit de zijmorenes van twee gletsjers op het punt waar zij tezamen komen en bestaat uit verpulverd gesteente dat met het ijs meegevoerd wordt.
De bodem De bodem is de bovenste laag van het aardoppervlakte en waarvan planten afhankelijk zijn m.b.t water en voedingsstoffen. Vegetatie, neerslag en temperatuur zijn belangrijke determinanten van het soort en de kwaliteit van de bodem. Water zorgt voor inspoeling van mineralen en temperatuur bepaalt de snelheid van de decompositie van organisch materiaal.
OVER DE BODEM De bodem bestaat uit zowel organisch als mineraal materiaal, afkomstig van gesteente en planten. Het organisch materiaal in de bodem, humus, bestaat uit erg kleine deeltjes die door water makkelijk de verder bodem worden ingespoeld. Als er veel humus in de bodem zit zorgt dit voor een bruin-zwarte kleur. Verder zit er ook water en lucht in de bodem. De kenmerken van een bodem ontwikkelen zich gedurende een lange tijd onder invloed van de bodemvormende processen. Bij elkaar genomen heten deze chemische en fysische processen verwering. De minerale deeltjes in de bodem (het moedermateriaal) is vaak afkomstig uit de onderliggen bedrock. Op deze bedrock heeft zich door verwering in de loop der tijd een laag regoliet gevormd, waarop uiteindelijk een bodem kan ontstaan.
Elke bodemsoort heeft een eigen kleur en textuur (korrelgrootteverdeling). Van groot naar klein zijn er zand, zilt, klei en colloïden. Hoe fijner de textuur (en hoe kleiner de ruimte tussen de korrels), hoe hoger de capaciteit van de bodem om water vast te houden. De negatief geladen colloïden (en kleine kleideeltjes) kunnen positieve ionen (waaronder nutriënten) aan zich te binden.
DE BODEMWATERBALANS De bodemwaterbalans geeft aan hoeveel water er op een bepaald moment in bepaalde bodem aanwezig is, en wordt bepaald door neerslag, verlies en de opslagcapaciteit van die bodem. Planten gebruiken water bij de groei d.m.v. evapotranspiratie. De potentiële evapotranspiratie geeft aan hoeveel water planten nodig zouden hebben om optimaal te groeien. De eigenlijke evapotranspiratie geeft aan hoeveel water op een bepaald moment daadwerkelijk gebruikt wordt. Het verschil tussen water behoefte en watergebruik is het bodemwatertekort. Bij bodemwatertekorten in landbouwgebieden is irrigatie noodzakelijk.
BODEMVORMING De meeste bodems hebben een aantal horizonten, welke ontstaan zijn als het gevolg van de interactie tussen tijd, klimaat, organismen en reliëf.
Er zijn 4 soorten van bodemvormende processen:
Bodemverrijking; als er materiaal aan de bodem wordt toegevoegd door b.v. sedimentatie
Materiaalverwijdering; als materiaal verwijdert door erosie of oplost en wegsijpelt met het water.
Translocatie; horizontale materiaalverplaatsing door inspoeling (De zone in een bodemprofiel waar de uitgespoelde stoffen blijven hangen.) en uitspoeling. Bepaalde mineralen kunnen helemaal uit de bodem verdwijnen.
Materiaaltransformatie: zoals het omzetten van primaire in secundaire mineralen.
Verder kan de temperatuur van de bodem het decompositieproces van organisch materiaal versnellen of afremmen en de intensiviteit van chemische verwering beïnvloeden. Reliëf bepaalt de snelheid van de erosie en dus de aard van de bodem. Dierlijk leven in de bodem kan de textuur van een grond beïnvloeden en de mens kan de zowel de structuur als de samenstelling en vruchtbaarheid van een bodem veranderen.
Een oeverwal Een oeverwal is een natuurlijke landschapsvorm die ontstaat langs meanderende rivieren.
ONTSTAAN Oeverwallen worden door het stromende water zelf, van nature opgeworpen. Tijdens hoge afvoeren treedt een rivier buiten de oevers. Het overstromend gebied direct naast de rivier loopt relatief snel vol en wordt daarna traag meestromend water. Het water in de diepere geul zelf stroomt harder en vervoert sediment (klei, silt, fijn zand - grover materiaal wordt alleen in de diepe delen van de geul over de bodem vervoerd). Oeverwallen vormen zich tussen geul en overstroomd gebied, omdat daar de stroomsnelheid plotseling afneemt en fijn zand, silt en klei er bezinken. Vergeleken met overstromingsafzettingen verderweg van de rivier, zijn oeverwalafzettingen grover van korrelgrootte. Daardoor is de bovengrond op oeverwallen lichter bewerkbaar dan de zware kleigronden verder van de rivier af. Over een langere periode (honderden jaren bij gemiddeld een overstroming per jaar, langs geulen met dagelijks getij veel sneller) bouwt zich de oeverwal steeds hoger op, en wordt steeds breder. Dit betekent dat het gebied verder van de rivier af steeds minder vaak overstroomt (bij hogere dus zeldzamere afvoeren). In tijden van hoger water kan rivierwater over en door de oeverwallen heen stromen. Wanneer de rivier de oeverwal doorbreekt, kan zij nieuwe geulen uitschuren die nieuwe rivierlopen vormen. Een meanderende rivier verplaatst zich in de loop der tijd, waarbij bochten uitbouwen en afgesneden kunnen raken. Er kunnen hierbij (tijdelijke) eilanden in de meanderende rivier ontstaan en korte nevengeulen die parallel aan de grootste geul (de hoofdstroom) lopen.
Klik op het uitrolmenu en dan op het juiste antwoord. Als de oefening is verwerkt, klik je op de toets "CONTROLEER ANTWOORD".
MEN KAN DE OEFENING OOK OPNIEUW MAKEN, DOOR MET DE RECHTERMUISTOETS OP HET SCHERM TE KLIKKEN EN DAN IN HET GEOPENDE VENSTER, INDIEN HET WOORD ER STAAT, TE KLIKKEN OP "VERNIEUWEN"
* Een slingerende beweging maken. De term wordt gebruikt voor o.a. rivieren en voor de straalstroom.
* Een kalkhoudende klei. Komt voor in Zuid-Limburg.
* De permanent bevroren ondergrond op hogere breedte. Een ander woord is permafrost.
* De era die tussen het Paleozoïcum en het Cenozoïcum ligt.
* Gesteenten die zijn ontstaan uit stollings- of sedimentaire gesteenten waarin onder hoge druk en temperatuur chemische veranderingen zijn opgetreden.
* Een langgerekt gebergte op de bodem van oceanen op de plaatsen waar de schollen van elkaar weg bewegen.
* Eigenlijk Mohorovicic discontinuïteit. De grenslaag die de aardkorst van de onderliggende mantel scheidt.
* Gesteente dat door het ijs wordt getransporteerd of is achtergelaten nadat het ijs zich heeft teruggetrokken.
* Het vermogen van een bodem om bepaalde stoffen op te slaan, bijv. allerlei voedingsstoffen.
* Een brede rug langs een rivier, ontstaan door sedimentatie van zandig materiaal direct langs de rivier tijdens overstromingen.
* Een oeverwal langs een verdwenen rivierloop, die zich kenmerkt door zijn van nature gevormde verhoogde ligging.
* Een op natuurlijke wijze ontstane bos langs rivieren.
* Ander woord voor silt.
* Een chemische verbinding of element met een kristalstructuur, die als vaste stof in de vrije natuur voorkomt en gevormd is door geologische processen.
* Het geleidelijk toenemen van het zoutgehalte van bodem of water.
* In de natuurkunde de faseovergang van vloeistofmoleculen aan een oppervlak naar de gasfase.
* Wanneer kalkzouten zich afzetten.
* Het bodemvormend proces waarbij deeltjes in de bodem van boven naar beneden verplaatst worden door neerslagwater.
* Horizontale materiaalverplaatsing door inspoeling en uispoeling.
* Het bezinken en ophopen van sedimenten, waarbij sedimentair gesteente ontstaat.
* Een laag of zone die gevormd wordt door bodemvorming en die zich onder meer onderscheidt van andere lagen door kleur, textuur, structuur en abiotische factoren.
* Het met gebruikmaking van allerlei technische middelen toevoegen van water aan landbouwgewassen bij een tekort aan neerslag.
* De som van evaporatie en van transpiratie door planten.
* Een maat voor de zuurgraad (ook wel zuurtegraad) van een waterige oplossing
* Een natuurlijk bestanddeel dat onontbeerlijk is voor de groei en ontwikkeling van een organisme.
* Een elektrisch geladen atoom, molecuul of een andere groep gebonden atomen.
* Een klein deeltje dat groter is dan een molecuul en een diameter heeft tussen de 1 en de 1000 nm.
* De laag los (ongeconsolideerd), vaak verweerd materiaal aan het oppervlak van een planeet of maan.
* Wordt in de bodemkunde en geomorfologie het harde, vaste gesteente bedoeld dat zich onder de regoliet bevindt.
* Het traag afbreekbare deel van de organische stof in de bodem; organische stof is al het dode organische materiaal dat in de bodem aanwezig is.
* Als er materiaal aan de bodem wordt toegevoegd door b.v. sedimentatie spreekt men van
* Horizontale materiaalverplaatsing door inspoeling van de bodem is
* De bodemwaterbalans geeft aan hoeveel water er op een bepaald moment in
* De korrelgrootte-samenstelling van de verschillende soorten grond.
* Het supercontinent dat bestond tijdens het einde van het Perm en het Trias, 250 tot 210 miljoen jaar (Ma) geleden, waaruit alle huidige continenten ontstaan zijn.