GEOGRAFIE - 3

Geografie (uit het Grieks: γεωγραφία, geographia, letterlijk "aardbeschrijving") is een wetenschapsgebied dat zich toelegt op de studie van de landen, kenmerken, bewoners en verschijnselen van de aarde en planeten. De eerste persoon die het woord γεωγραφία gebruikte, was Eratosthenes (Cyrene, tussen 276 v.Chr. en 273 v.Chr. - Alexandrië, ca. 194 v.Chr.). Geografie is een allesomvattende discipline die op zoek is naar begrip van de aarde en haar menselijke en natuurlijke complexiteit - niet alleen waar objecten zich bevinden, maar ook hoe ze zijn veranderd en ontstaan. (Zie: beschaving en geschiedenis van de wereld)
Geografie wordt vaak gedefinieerd in termen van twee takken: menselijke geografie en fysieke geografie. Menselijke geografie behandelt de studie van mensen en hun gemeenschappen, culturen, economieën en interacties met de omgeving door hun relaties met en door ruimte en plaats te bestuderen. Fysische geografie behandelt de studie van processen en patronen in de natuurlijke omgeving zoals de aardatmosfeer, de hydrosfeer, de biosfeer en de geosfeer.
De vier historische tradities in geografisch onderzoek zijn ruimtelijke analyses van natuurlijke en menselijke fenomenen, gebiedsstudies van plaatsen en regio's, studies van mens-landrelaties en aardwetenschappen. Geografie wordt "de werelddiscipline" genoemd en "de brug tussen de mens en de natuurwetenschappen".

FYSISCHE GEOGRAFIE

(ook wel geosystemen of fysiografie genoemd) is een van de twee belangrijkste gebieden van de geografie. Fysische geografie is de tak van de natuurwetenschappen die zich bezighoudt met de studie van processen en patronen in de natuurlijke omgeving zoals de atmosfeer, de hydrosfeer, de biosfeer en de geosfeer, in tegenstelling tot de culturele of gebouwde omgeving, het domein van de menselijke geografie.
MIJNBOUWKUNDE

Mijnbouwkunde is de tak van wetenschap die zich concentreert op het winnen en verwerken van grondstoffen in de breedste zin: brandstoffen (olie, gas, kolen), metalen (ijzer, koper, zink, goud etc.), mineralen (zouten, kleurstoffen etc) en niet-metalen (bijvoorbeeld kalksteengroeve). Het vakgebied bevindt zich op de grens van techniek en aardwetenschappen en heeft als specifieke kennisgebieden onder andere: geologie, geodesie, werktuigbouw, scheikunde, statistiek, wiskunde etc. Mijnbouwkundige kennis wordt tegenwoordig in Nederland en België veel gebruikt in niet direct herkenbare mijnbouwvakgebieden zoals recycling en bodemsanering. Het vak wordt in Nederland op slechts één plaats onderwezen, namelijk aan de TU Delft. De opleiding heet Technische aardwetenschappen en leidt op tot ingenieur (Ir) in: Oliewinning, Geofysica, Ingenieursgeologie, Grondstoffenwinning en Grondstoffenverwerking. De studievereniging voor studenten Technische Aardwetenschappen heet de Mijnbouwkundige Vereeniging. In Vlaanderen kon je opgeleid worden tot mijnbouwkundig ingenieur aan de Katholieke Universiteit Leuven. De opleiding heet "geotechniek en mijnbouwkunde", maar er worden geen nieuwe inschrijvingen aangenomen vanaf het studiejaar 2011-2012. De studievereniging voor masterstudenten in de ingenieurswetenschappen geotechniek en mijnbouwkunde is de Vlaamse Technische Kring.

Zie ook.
Mijnbouw. Klik hier en Klik hier en Klik hier
Categorie. Klik hier.
MINERALOGIE

De mineralogie of delfstofkunde is de tak binnen de aardwetenschappen die zich richt op de systematische studie van mineralen, hun voorkomen, ontstaan, metamorfose en rol in de geologie. De International Mineralogical Association (IMA) is een organisatie waarvan de leden de mineralogen uit de verschillende landen vertegenwoordigen. Haar activiteiten omvatten het beheer van de namen van mineralen (via de Commissie van nieuwe mineralen en mineraalnamen) en het bijhouden van een database van mineralen. In 1609 beschreef de Vlaming Anselmus Boëtius de Boodt in zijn Gemmarum et lapidum historia 600 mineralen. Hij noemde ook de 240 mineralen die bij oude schrijvers genoemd werden. Men ziet hem als de grondlegger van de moderne mineralogie. In 2004 waren er ongeveer 4000 mineralen erkend door de IMA. Hiervan kunnen er ongeveer 150 als "overvloedig", nog eens 50 als "incidenteel", en de rest als "zeldzaam" tot "zeer zeldzaam" worden beschouwd.

Zie ook.
Lijst van mineralen. Klik hier.
Lijst van naar een persoon genoemde mineralen. Klik hier.
OCEANOGRAFIE

Oceanografie of zeekunde is de aardwetenschap die de fysieke en biologische eigenschappen en verschijnselen van de oceanen bestudeert. Het is een wetenschapstak die een breed scala aan onderwerpen omvat, waaronder de dynamiek van mariene ecosystemen, oceaanstromingen, golven en geofysische vloeistofdynamica, platentektoniek aan de zeebodem, en de chemische samenstelling en fysieke eigenschappen van de oceaan. Deze verschillende onderwerpen weerspiegelen meerdere disciplines die oceanografen combineren om begrip te krijgen van hoe de oceaan werkt en verandert. Paleo-oceanografie bestudeert de geschiedenis van de oceanen in het geologische verleden. Waar oceanografie meer beschrijvend zou moeten zijn en oceanologie meer verklarend, worden deze begrippen in Nederland door elkaar gebruikt, waarbij de eerste term bekender is in de wetenschap en de tweede meer in technische kringen.

De oceanografie is onderverdeeld in vier subdisciplines:
Biologische oceanografie, ook wel mariene biologie, bestudeert de interactie van levensvormen en levensverschijnselen met de oceaan. Daarbij gaat men uit van de fysische, chemische en geologische invalshoeken.
Chemische oceanografie bestudeert de interactie van de chemische elementen die in de oceanen voorkomen.
Geologische oceanografie bestudeert de geologie van de zeebodems, waarin wordt ingegaan op platentektoniek.
Fysische oceanografie bestudeert uitsluitend de natuurkundige eigenschappen van de oceanen, zoals zeestromen, de rol van de oceanen voor het klimaat en klimaatverandering, de interactie met de atmosfeer, zeespiegelstijging, getijden en golven.

Oceanografen hebben vastgesteld dat de pH-waarde van de oceaan afneemt als gevolg van menselijke activiteit. Het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer is gestaag toegenomen. Zeewater is licht basisch en had voor de industrialisatie van 1800 een pH van circa 8,2. Ongeveer 30 tot 40% van deze koolstofdioxide wordt geabsorbeerd door de oceanen waarbij koolzuur wordt gevormd en de pH (nu lager dan 8,1) afneemt en de oceaan dus verzuurt

Het huidige tempo van de veranderende zuurgraad van de oceanen is ongekend in de geologische geschiedenis van de aarde, waardoor het onduidelijk is hoe mariene ecosystemen zich hier in de toekomst aan zullen aanpassen.Van bijzonder belang is de combinatie van verzuring met de verwachte hogere temperaturen en lagere zuurstofniveaus in de oceaan.

Zie ook Oceaanverzuring. Klik hier.

Sinds de eerste expedities van de oceanografie was het van groot belang om kennis te hebben van zeestromen. De getijden, het Coriolis-effect, veranderingen in richting en sterkte van wind, zoutgehalte en temperatuur zijn de belangrijkste factoren die de zeestromen bepalen.
De thermohaliene circulatie (THC) verbindt 4 van de 5 oceanen op aarde en is in de eerste plaats afhankelijk van de dichtheid van het zeewater. Zeestromen als de Noord-Atlantische Drift zijn oppervlaktestromen die door de wind worden aangedreven.

Zie ook kennislink. Oceanografie. Klik hier.
PEDOLOGIE

De wetenschap die de studie van de bodem tot onderwerp heeft. Zij bestudeert het ontstaan van de bodem, zowel uit een oogpunt van bodemvorming als van afzettingsgeschiedenis; de samenstelling en specifieke chemische en fysische eigenschappen van de verschillende bodemlagen en bodemhorizonten; zij groepeert gronden met overeenkomstige bodemkenmerken (bodemclassifikatie) en onderzoekt het verband bodem-plant en de invloed van de mens daarop.

Zie ook. Bodemkunde. Klik hier.
PALEO-OCEANOGRAFIE

Paleo-oceanografie is de studie van de geschiedenis van de oceanen in het geologische verleden met betrekking tot circulatie, chemische samenstelling, biologische samenstelling, geologie en patronen van sedimentatie.
PALEOKLIMATOGRAFIE

Paleoklimatologie is de studie van het klimaat met behulp van gegevens die in de bodem zijn opgeslagen. Klimaatgegevens kunnen uit zeer verschillend materiaal worden afgeleid en er is een grote variatie aan onderzoeksmethoden. an oudsher worden fossielen gebruikt om klimaatgegevens uit af te leiden. Hierbij wordt van het actualiteitsprincipe uitgegaan: voorkeuren en eisen zoals een soort die thans heeft, zal diezelfde soort in het verleden ook gehad hebben. Er wordt stilzwijgend aangenomen dat deze kenmerken zich in de loop van het bestaan van een soort door bijvoorbeeld evolutie niet hebben gewijzigd. Behalve deze aanname is een ander zwak punt dat het volledige ecologische en klimatologische spectrum van veel thans levende soorten niet echt bekend is. Vaak 'gebruikt' een soort onder bepaalde omstandigheden maar een deel van de mogelijkheden die die soort beschikbaar heeft (Onder andere omstandigheden zou dezelfde soort gebruik kunnen maken van een andere combinatie van mogelijkheden). Van soorten die zijn uitgestorven, worden de kenmerken van hun naaste nog bestaande verwanten genomen. Ondanks deze aannames, is het actualiteitsprincipe het enige houvast om conclusies uit het voorkomen van fossielen te trekken. Door resultaten die verkregen zijn uit onderzoek aan verschillende plant- en diergroepen met elkaar te vergelijken is het mogelijk uitkomsten te valideren. Soorten uit een fauna kan men indelen naar hun klimaatvoorkeur (of -eisen). Uit de ontwikkeling van de verhoudingen tussen dergelijke klimaatgroepen binnen een opeenvolging van fossiele fauna's in een geologische sectie kan men conclusies over het relatieve klimaatverloop trekken. Dit basisprincipe ligt ook ten grondslag aan statistische methoden om bijvoorbeeld de ontwikkeling van temperatuur en vochtigheid te achterhalen uit fossielen die aanwezig zijn in een monsterserie.
Andere veelgebruikte methoden zijn de bestudering van seizoensgelaagdheden in sedimenten (varven), ijsafzettingen, maar ook biogene materialen zoals hout (boom jaarringen), groeiringen in bivalven, koralen, etc. Hieraan ligt ten grondslag dat aangroei in al deze gevallen niet over het hele jaar gelijkmatig is maar in hoeveelheid varieert volgens de seizoenen. Naast de hoeveelheid materiaal varieert vaak ook het soort materiaal wat wordt vastgelegd. Een boom zal in de zomer snel groeien (en produceert lichtgekleurd hout) terwijl in de winter de groei veel langzamer is (en maakt dan donkergekleurd hout aan). Door het opmeten van de relatieve dikteverschillen en de bepaling van de paleontologische, fysische en/of chemische verschillen tussen de seizoenslaagjes, kunnen conclusies over het klimaat getrokken worden. In bepaalde plant- en diergroepen leven in het koude seizoen andere soorten dan in het warme seizoen. Dat komt bijvoorbeeld voor bij kiezelwieren. Door de variatie tussen koude en warme soorten procentueel te berekenen, wordt een beeld verkregen van de wisseling van de seizoenen. Een veel toegepaste fossiele klimaatproxie is de gemiddelde juli temperatuur zoals die uit pollen onderzoek van fossiele flora's afgeleid kan worden.

Zie ook.
Paleoklimatologie - Paleoclimatology. Klik hier.
Klimaatverandering. Klik hier.
Meteo Maarssen. Klik hier en Klik hier.
Hans Daemen. Paleoklimatologie. Klik hier.

Bestudeer eerst bovenstaande cursus.
IN ONDERSTAANDE GEGEVENS STAAN ER VAAK HYPERLINKS. KLIK ER OP EN LEES OOK DIE TEKSTEN.
ER WORDEN DAAR VRAGEN OVER GESTELD.

Antwoorden te halen uit bovenstaande gegevens. Selecteer het antwoord dat je het meest juist lijkt en/of vul in.

MEN KAN DE OEFENING OOK OPNIEUW MAKEN, DOOR MET DE RECHTERMUISTOETS OP HET SCHERM TE KLIKKEN EN DAN, INDIEN HET WOORD ER STAAT, IN HET GEOPENDE VENSTER TE KLIKKEN OP "VERNIEUWEN"