Geologische begrippen (deel 32)

KORTE GESCHIEDENIS VAN HET WATERGEBRUIK
De eerste mensen woonde waar water te vinden was, namelijk aan een rivier of een natuurlijke bron. Ongeveer 7000 jaar geleden ontdekte men dat water te vinden was door het graven van putten. Dit gebeurt bv. in Jericho. In Egypte werden de wanden van de putten bekleed met takken van de bamboe. Het water werd opgehaald met emmers en lederen zakken. Het aanleggen van waterleidingen gebeurde door greppels uit de rotsen te houwen of door geulen in het zand te graven. Later gebruiken de Egyptenaren holle palmbomen. In China, Java en Japan maakte men leidingen in bamboe. In 1925 wordt de stad Mohenjo-Daro (in Pakistan)(3000 jaar voor Christus) ontdekt. Deze stad bezat een uitgebreide watervoorziening, met o.a. openbare badinrichtingen met warm water en badkamers. Het gebruikte water werd afgevoerd via een rioleringsysteem, samen met het regenwater. De eerste kilometerlange aanvoerleiding werd in Pergamon (in Turkije) gebouwd, zo'n 200 jaar voor Christus. De Grieken voerde als eersten water onder hoge druk aan dankzij het principe van de communicerende vaten. Tijdens het Romeinse Rijk kende de watervoorziening een grote groei. De winplaatsen voor water werden maximaal beschermd tegen verontreiniging. Via 14 aquaducten stroomde water naar Rome om dan te worden verdeeld over de verschillende stadsdelen. Vooral de rijken, de thermen en de openbare fonteinen maakten hiervan gebruik. In de Middeleeuwen warenn de mensen tevreden met het ophalen van water uit waterputten. De hygiëne bij deze putten was zo slecht dat regelmatig epidemieën uitbraken. Omdat de huizen in hout waren gebouwd, werd dit putwater vooral gebruikt bij het bestrijden van branden en minder als drinkwater. In België werden tussen 1650 en 1750 alle putten afgedekt en voorzien van handpompen. In 1675 werd in Oudenaarde een leidingnet van houten leidingen aangelegd. In Luik gebeurde dit in 1687. Men gebruikte loden buizen. Vanaf 1860 kende de waterleidingbedrijven in België een snelle ontwikkeling. Begin 20ste eeuw telden men in België al meer dan 500 bedrijfjes, voornamelijk in Wallonië (waar het winnen van drinkwater eenvoudiger was door de aanwezigheid van heel wat natuurlijke bronnen). In het landelijke en het vlakke Vlaanderen was dit moeilijker en waren de financiële middelen beperkter. Ondanks de wereldwijde verspreiding van de trage zandfiltratie bleef het gebruik van oppervlaktewater voorlopig tot een minimum beperkt. Belangrijkste reden was de hoge vervuilingsgraad van de rivieren en het feit dat de zuiveringstechnieken nog in de kinderschoenen stonden. Zuiveringstechnieken zoals de grindfiltratie en de snelle zandfilters werden pas in 1900 ontdekt. De eerste "moderne" waterproductiecentra ontstonden rond de eeuwwisseling. Na de eerste wereldoorlog kwam de winning van grondwater via geboorde putten tot ontwikkeling. Het gebruik ervan bleef eerst beperkt: de kwaliteit van het water liet immers veel te wensen over. Wel kreeg men een beter inzicht in de geologische lagen en de watervoerende pakketten.


Waterzuivering. Klik hier.

SAMENSTELLING VAN LICHT MINERAAL WATER
De voornaamste taak van drinkwater is, naast de aanvoer van mineralen, vooral het zuiveren van het lichaam. Hiervoor is het belangrijk dat er niet te veel mineralen in het water zitten. De mineralen die men dagelijks nodig heeft worden grotendeels uit andere voedingsmiddelen gehaald. Drinkwater kan men onderverdelen aan de hand van de hoeveelheid mineralen in het water, d.i. de zogenaamde droogrest (Hoeveelheid stoffen in een vloeistof, bepaald door drogen onder vastgelegde omstandigheden. De hoeveelheid droge stof, die men vindt door een monster volledig in te dampen op een waterbad, vervolgens te drogen in een droogstoof bij een temperatuur van 103 °C en na afkoelen in een exciccator te wegen.). Men onderscheidt 4 groepen:
  1. zeer licht mineraalhoudend water: tot 50 mg droogrest per liter
  2. licht mineraalhoudend water: tot 500 mg droogrest per liter
  3. gemiddeld mineraalhoudend water: tot 1000 mg droogrest per liter
  4. sterk mineraalhoudend water: meer dan 1000 mg droogrest per liter

Zeer licht en licht mineraalhoudende waters mag men dagelijks drinken zoveel als men wil. Men kan op die manier nooit een teveel aan bepaalde stoffen binnenkrijgen. Met sterk mineraalhoudende waters moet men oppassen. Deze zijn niet geschikt voor dagelijks gebruik.

Samenstelling van veel waters (in mg/l)
CaMgNaKSO4
60,65,913,26,346,6
HCO3CINO3Fdroogrest
18418,41,50,093263


Calcium (Ca)
Wij hebben calcium nodig voor ons beendergestel. Daarnaast speelt calcium ook een grote rol in tal van metabole functies. Samen met magnesium bepaalt calcium ook de hardheid van het kraantjeswater. De maximumnorm voor drinkwater bedraagt 270 mg per liter.

Magnesium (Mg)
Magnesium is verantwoordelijk voor de geleiding van zenuwimulsen naar de zenuwen, stimuleert de omzetting van koolhydraten en eiwitten en versterkt de spieren. De maximumnorm voor drinkwater bedraagt 50 mg/l.

Natrium (Na)
Natrium is belangrijk voor de spierspanning en de waterhuishouding in ons lichaam. Teveel zout is slecht voor de gezondheid. Een laagnatriumhoudend water is dus beter. Natrium krijgt men al voldoende binnen via allerlei levensmiddelen onder de vorm van keukenzout. De maximumnorm voor drinkwater is 200 mg/l. Voor zwangere vrouwen en kinderen kan deze norm best verlaagd worden tot 50 mg/l.

Kalium (K)
Kalium werkt hoofdzakelijk in op de kern van de spierweefselcellen. Samen met natrium regelt het er de mineralenhuishouding. Ook kalium krijg je reeds voldoende binnen via de voeding. Er is geen maximumnorm voorzien.

Sulfaat (SO4)
Een te hoog sulfaatgehalte kan laxerend werken en op die manier leiden tot dehydratatie en irritatie van het darmstelsel. De maximumnorm voor drinkwater is 250 mg/l.

Waterstofcarbonaat (HCO3)
Waterstofcarbonaat bevordert de spijsvertering. Het neutraliseert het teveel aan zuur in het lichaam. Er is geen maximumnorm voorzien.

Chloride (Cl)
Samen met natrium is Chloride verantwoordelijk voor de waterbalans in het lichaam (NaCl = keukenzout) en (als bestanddeel van de maagzuren) voor de spijsvertering. De maximumnorm voor drinkwater is 250 mg/l.

Nitraat (NO3)
Een te hoog nitraatgehalte is slecht voor de gezondheid. De maximumnorm voor drinkwater is 50 mg/l. Voor zwangere vrouwen en kinderen kan de norm veiligheidshalve best verlaagd worden tot 10 mg/l.

Fluoride (F)
Fluor draagt bij tot de preventie van cariës, maar een te hoog gehalte kan aanleiding geven tot vlekken op de tanden. De maximumnorm voor drinkwater is 1,5 mg/l. Voor kinderen kan deze best verlaagd worden tot 1 mg/l.

Droogrest
Dit is het totaal gehalte aan minerale zouten. Algemeen kan gesteld worden dat het gehalte best minder is dan 1500 mg/l. Voor zwangere vrouwen en kinderen best minder dan 500 mg/l. De samenstelling van het gezuiverde water kan verschillen van locatie tot locatie. Het water neemt immers mineralen op uit de omringende bodem.


EIGENSCHAPPEN
Een watermolecule is de samenstelling van een groot zuurstofatoom (O) en twee kleine waterstofatomen (H). Deze atomen worden door sterke krachten verbonden. Ruimtelijk gezien is de elektrische lading niet gelijkmatig over de molecule verdeeld. Dit maakt dat er ook een aantrekkingskracht tussen de watermoleculen onderling bestaat. Deze unieke moleculaire structuur zorgt ervoor dat water een aantal bijzondere eigenschappen heeft, waardoor het zich van alle andere stoffen onderscheidt. Zuiver water is kleur-, geur- en smaakloos. Helderheid is een levensbelangrijke eigenschap. Ze laat verlichting onder het wateroppervlak toe, waardoor bij planten het fotosyntheseproces kan verlopen. Water is de enige stof die onder natuurlijke omstandigheden in vaste (ijs), vloeibare (water) en gasvormige toestand (damp) voorkomt. Bij 0°C wordt het vriespunt bereikt, het kookpunt op 100°C. De meest opvallende fysische eigenschap van water is het feit dat de densiteit (dichtheid) varieert met de temperatuur. Bij afkoeling zal de dichtheid – net zoals bij alle andere stoffen trouwens – toenemen: d.w.z. het volume vermindert, het "krimpt". De densiteit is het grootst aan 4°C. Beneden 4°C vermeerdert het volume opnieuw. Het water "zet uit", wordt lichter en gaat over in ijs bij 0°C. Dit specifieke gedrag heeft niet te onderschatten gevolgen: in de winter gaat er zich een drijvende ijslaag aan het wateroppervlak vormen, die het onderliggende water beschermt tegen de strenge vrieskou. Water heeft ook een uitzonderlijk oplossend vermogen. Daardoor is het een ideaal transportmiddel om voedingsstoffen naar alle delen van het organisme te brengen en afvalstoffen weer af te voeren. Het zorgt eveneens voor afkoeling. Door te zweten verliest men immers water, waardoor onze lichaamstemperatuur op peil wordt gehouden. Water warmt slechts langzaam op en zal die warmte ook maar traag afgeven. Anderzijds slorpt het meer warmte op dan de meeste andere stoffen. Bij hoge temperaturen gaan zeeën en oceanen, maar ook de waterdamp in de atmosfeer, een groot deel van de zonnewarmte opslaan. Daardoor zal de watertemperatuur stijgen. De waterdamp die ontstaat, zorgt ervoor dat de zon niet genadeloos brandt bij heldere hemel. Wanneer het kouder wordt, zal het water de opgeslagen warmte afgeven. Op deze manier beschermt het water ons tegen extreme temperatuurverschillen. Het mooiste voorbeeld van dit effect - of beter gezegd de afwezigheid van dit effect - is de woestijn: daar is het heet overdag en ijskoud 's nachts. Bekijkt men de viscositeit of mate van samenhang, dan merken we ook iets bijzonders. Ondanks de aanwezigheid van relatief sterke aantrekkingskrachten tussen de moleculen onderling, is water toch een beweeglijke vloeistof. Dit is het gevolg van de kleine afmetingen van de watermolecule. Belangrijk is ook dat de viscositeit afneemt bij toenemende druk. Mocht water deze eigenschap niet bezitten, dan zou het slechts druppelsgewijs uit de kraan komen. Water is vloeibaar, maar toch worden kleine diertjes en voorwerpen gedragen door het water. Dit komt door de oppervlaktespanning, een soort buigzaam vliesje dat aan de oppervlakte gevormd wordt door de krachten waarmee de waterdeeltjes elkaar aantrekken. Giet men heel voorzichtig zoveel mogelijk water in een glas, dan kan men de oppervlaktespanning aan het werk zien. Als het glas heel vol is, merkt men dat het wateroppervlak een beetje bol staat. De huid van het water, de oppervlaktespanning, zorgt ervoor dat het glas niet overloopt.

Bestudeer eerst bovenstaande cursus.
Vul de gaten in. Druk dan op de toets "Controleer" om je antwoorden te controleren. Gebruik wanneer aanwezig, de "Hints"-knop om een extra letter te krijgen, wanneer je het lastig vindt om een antwoord te geven. Je kan ook op de "[?]"-knop drukken om een aanwijzing te krijgen. Let wel: je verliest punten, wanneer je hints of aanwijzingen vraagt!

MEN KAN DE OEFENING OOK OPNIEUW MAKEN, DOOR MET DE RECHTERMUISTOETS OP HET SCHERM TE KLIKKEN EN DAN IN HET GEOPENDE VENSTER , INDIEN HET WOORD ER STAAT, TE KLIKKEN OP "VERNIEUWEN"

WATER

Vanuit een meer geologisch standpunt is het mogelijk om grondwater, volgens herkomst, in te delen in 4 verschillende types.
  1. Zo spreekt men ten eerste van meteorisch grondwater als het grondwater afkomstig is uit de atmosfeer of met andere woorden meteorisch grondwater is dat deel van het grondwater dat afkomstig is uit neerslag of uit oppervlaktewater.
  2. Connaat grondwater is het grondwater dat reeds bij de vorming van de gesteenten of afzettingen aanwezig was.
  3. Geregenereerd grondwater is het water dat vrijkomt bij verdere gesteente vorming.
  4. Juveniel grondwater is het gedeelte van het grondwater dat vrijkomt bij het uitkristalliseren van magma’s in de aardkorst.


ZUURTEGRAAD VAN WATER
De pH van een stof. Het is niet zo makkelijk om dit begrip uit te leggen. Water is een verbinding van waterstof (H2) en zuurstof (O2) en komt voor als 2 delen waterstof per deel zuurstof : H2O. Deze stof splitst zich echter op in H+ (waterstofionen genaamd, deze hebben een positieve elektrische lading) en OH- (hydroxyl-ionen genaamd, deze hebben een negatieve elektrische lading.

H2O <=====> H+ + OH-

De dubbele pijl betekent dat de reaktie in beide richtingen plaats vindt. De zuurtegraad wordt nu bepaald door de hoeveelheid H+. Het aantal waterstofionen (dit zijn geladen waterstofatomen) komt overeen met een bepaalde pH waarde. Hoe meer H+ hoe lager de pH (=zuurder) en omgekeerd; hoe minder H+ hoe hoger de pH (=basischer of alkalischer). Het omgekeerde geldt voor OH-; hoe meer OH- hoe hoger de pH (=basischer of alkalischer), hoe minder OH- hoe lager de pH (=zuurder).

De pH schaal ziet er als volgt uit

0 1 2 3 4 5 678 9 10 11 12 13 14
zuurneutraalbasisch


Een neutrale pH is dus 7. Alles wat minder is wordt beschouwd als zuur. Alles wat meer is als basisch. Het is belangrijk te weten dat de pH een logaritmische (exponentiële) schaal is. Dit betekent dus dat pH 6 een tiental keren zuurder is dan pH 7. pH 5 is dan al honderd maal zuurder dan pH 7, enz...

TOTALE HARDHEID
TH (ook GH genoemd) is de concentratie van de zouten die zich in water bevinden. De totale hardheid wordt uitgedrukt in Duitse hardheidsgraden of °d TH. Algemeen worden deze waarden aangenomen

00 - 04 °d THzeer zacht water
04 - 08 °d THzacht water
08 - 12°d THmiddelhard water
12 - 30°d TH hard water
> 30°d THzeer hard water


Gewoon kraantjeswater bevat in ons land meestal een behoorlijke hoeveelheid zouten. Om zachter water te bekomen moet het kraantjeswater gemengd worden met osmosewater (of
gedemineraliseerd water of zuiver regenwater).
Het beste is om puur osmosewater te gebruiken dat door mineralen toe te voegen tot op de juiste hardheid wordt gebracht. Om harder water te bekomen volstaat het om mineralen aan het kraanwater toe te voegen.

GELEIDBAARHEID
Het elektrisch geleidingsvermogen (in µS/cm), wordt bepaald door de hoeveelheid opgeloste stoffen in het water. In water uit een omkeerosmose-installatie, waaruit bijna alle stoffen verwijderd zijn, zal het geleidingsvermogen ca 30 - 70 µS/cm zijn. Gedestilleerd water heeft een geleidingsvermogen van bijna 0 µS/cm. Het geleidingsvermogen zegt niets over welke stoffen er in het water aanwezig zijn, het geeft slechts een indruk van de totale hoeveelheid aanwezige stoffen.

Voor extra uitleg over
water, klik op WATER.
drinkwater, klik op DRINKWATER.
hardheid van water, klik op HARDHEID WATER.
zuurgraad van water, klik op ZUURGRAAD WATER
waterkwaliteit, klik op WATERKWALITEIT.
waterzuivering, klik op WATERZUIVERING
zeewater, klik op ZEEWATER.
zoetwater in de Benelux, klik op BENELUX.
oppervlaktewater, klik op OPPERVLAKTEWATER.
oppervlaktewater, klik op Vlaamse milieumaatschappij VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ.
   10 mg CaO per liter      30 graden      adhesie      angulaire      aquifers      artesisch water      bodemvocht      bron      capillaire      connaat water      damp      drinkwater      drukspiegel      duinen      elektrische      geregenereerd water      graden      grondwater      grondwaterspiegel      hardheid      holten      hydrologie      juveniel water      kwel      meteorisch water      mineralen      onverzadigde      permeabiliteit      poriën      samenstelling      uitdruipen      verzadigde      waterlichaam      weerstand      winning      zacht      zoetwaterzakken      zout connaat      zuurgraad      zwaartekracht   
ONDERGRONDS WATER
De geologische deelwetenschap, die zich bezighoudt met zowel grondwater als oppervlaktewater is de . Grondwaterhydrologie houdt zich alleen bezig met . Men onderscheidt verder nog de geohydrologie en de hydrogeologie. De geohydrologie behandelt de beweging en de van water. De hydrogeologie richt zich meer op het geologische milieu en op de van het water. Als we het hebben over ondergronds water, dan spreken we over water, dat zich bevindt in , spleten en in de aardkorst, dus het vrije water. Water, dat chemisch gebonden is aan valt er dus niet onder.

Soorten ondergronds water
Ondergronds water is te verdelen in twee groepen:
  1. het water in de bovenste, onverzadigde zone, waarin zich ook nog lucht bevindt, is het .
  2. het water in de daaronder liggende zone is het grondwater.

Het grensvlak tussen beide zones heet de is het freatische vlak.
Naast zoet water is er ook water. Dat is water, dat bij de vorming van sedimenten in poriën achterbleef en dat zich daar nog steeds bevindt. Connaat water komt niet alleen voor onder oceanen en zeeën, maar soms ook onder het landoppervlak. Dit water is in de loop der tijden enigszins veranderd van samenstelling.

Water gaat bij hoge temperaturen over in . Beneden een diepte van 10 à 15 km komt er geen grondwater meer voor.
De totale hoeveelheid water, die op aarde voorkomt is te schatten op zo'n 1.4 miljard km³. Slechts 0.62% van deze enorme hoeveelheid is grondwater. Procentueel is de hoeveelheid zoet water en dus op aarde zeer gering.
In de zone bevindt zich rondom de bodemkorrels ook in de allerdroogste omstandigheden wel enig vocht. Bij geringe toevoer van regen vormt zich om de korrels een dun waterfilmpje, dat door wordt vastgehouden.
Dit water heet pelliculair water.
Bij iets hoger vochtgehalte bevindt zich in de hoekjes tussen de korrels enig water, het water. Deze beide toestanden noemt men droog, omdat het water niet kan . Neemt de hoeveelheid water in de poriën verder toe, dan ontstaan de opencapillaire- en de continue = volcapillaire toestand. In de beide laatste situaties wordt er water boven de grondwaterspiegel door werking tegen de zwaartekracht in omhooggezogen. Hierdoor ontstaat boven de grondwaterspiegel een capillaire franje = capillaire zoom, die met de stijging en daling van die spiegel mee op en neer gaat. De dikte ervan wordt bepaald door de grootte van de poriën. Zo is in grof zand de dikte 10-15 cm en in leem tot 2.50 m.
Op grond van de herkomst kan men grondwater onderscheiden in vier soorten:
  1. , afkomstig uit de atmosfeer, m.a.w. van regen, sneeuw, hagel, rivieren, meren enz.
  2. , afkomstig uit de tijd van de afzetting van de sedimenten.
  3. , vrijkomend bij afname van de porositeit ten gevolge van metamorfose.
  4. , dat vrijkomt bij het uitkristalliseren van magma, of water dat diep in de aardkorst wordt gevormd uit zuurstof en waterstof.

Grondwaterbeweging
Grondwater verplaatst zich meestal onder invloed van de . We volstaan hier met vast te stellen, dat dit horizontaal of verticaal kan zijn.
Watervoerende lagen heten , hetgeen zoiets betekent als waterdragers. De mate van watertransport wordt sterk bepaald door de porositeit en de . De porositeit bepaalt ook de hoeveelheid water, die een gesteente kan bevatten. Deze is soms verrassend groot. De porositeit wordt ook bepaald door spleten, laagvlakken. De permeabiliteit of waterdoorlatendheid is een maatstaf voor de , die het stromende water ondervindt. Ze is van grote invloed op de mogelijkheid van eventuele waterwinning.

Grondwatervoorkomens



In de verzadigde zone zijn alle poriën en open ruimten gevuld met water, zodat men kan spreken van een .
De diepte van de waterspiegel is afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals neerslag, verdamping, vegetatie, doorlatendheid, irrigatie, drainage en bemaling.
Behalve de normale grondwaterspiegel kent men een schijn = zwevende grondwaterspiegel. Dit is de bovenzijde van een grondwaterlichaam, dat zich geïsoleerd boven de grondwaterspiegel bevindt.
Een gespannen grondwaterspiegel = treedt op, als een ondoordringbare laag het grondwater verhindert om te stijgen tot de echte spiegel. Het water kan dan onder een zodanige druk komen te staan, dat het in een boring of natuurlijke bron omhoogspuit als .
We moeten nog een bijzondere vorm van zoetwaterlichamen noemen, die van groot belang zijn voor de drinkwatervoorziening. Bedoeld zijn de z.g. . Dit zijn zoetwaterlichamen in de ondergrond, die, gevoed door regen, a.h.w. drijven op het onderliggende, soortelijk zwaardere zoute water. Voorbeelden hiervan zijn te vinden onder veel eilanden en onder onze .
Rivieren kunnen ook een open verbinding hebben met het grondwater en er water aan onttrekken of toevoegen. In het eerste geval noemt men de rivier effluent, in het tweede geval influent.
Waar grondwater natuurlijk uitvloeit is er een . Waar dit over een groter gebied diffuus (n willekeurige richtingen verstrooid) gebeurt is er sprake van een .
Grondwater bevat gemiddeld wat meer opgeloste stoffen dan oppervlaktewater. Naast de ionen van opgeloste vast stoffen komen er ook opgeloste gassen in voor.
Met de opgeloste stoffen hangen samen:
  1. het geleidingsvermogen.
  2. de = de pH = de negatieve logarithme van de waterstofionenconcentratie.
  3. de , veroorzaakt door de aanwezigheid van vooral calcium- en magnesiumionen. Hard water schuimt slecht. Hardheid wordt uitgedrukt in . Een graad komt overeen met . Water met 0 tot 4 graden hardheid is zeer . Van 12 tot 18 graden tamelijk hard. Boven is zeer hard.