Het begrip hellingsprocessen omvat een aantal mechanismen waardoor verweerd gesteente | van een helling wordt afgevoerd. |
Hellingsprocessen gebeuren onder invloed van de | zwaartekracht, (gravitatieve bewegingen). |
| Denudatie. | |
Vooral beweging van water, ijs en wind zorgen voor denudatie. | Het zijn exogene processen. |
Water kan het verweringsmateriaal doordringen, | waardoor het materiaal beweeglijker wordt. |
Water kan door zijn spoelende werking materiaal meevoeren | |
Hellingsprocessen zijn belangrijk door hun aandeel in het leveren van verweringsmateriaal aan rivieren, | waardoor later sedimentatie mogelijk wordt. |
Hellingsprocessen zijn belangrijk door hun aandeel in het veranderen van hellingen, | waardoor het reliëf wordt beïnvloed. |
Hellingsprocessen zijn belangrijk door hun aandeel in het opbouwen, maar veel vaker het vernielen of zelfs afvoeren van grond, waaronder landbouwgrond. Hierbij kunnen | akkers, wegen, huizen, dijken enz. ernstig worden aangetast. |
Losgeraakt verweringsmateriaal kan alleen maar | vallen bij zeer steile rotswanden. |
Losgeraakt verweringsmateriaal kan alleen maar bij zeer steile hellingen | naar beneden rollen. |
Verweringsmateriaal kan zich min of meer samenhangend over een schuifvlak verplaatsen. Dat vraagt een vrij steile helling en nogal wat water, dat is opgenomen in het materiaal. Men spreekt van | glijden of schuiven van verweringsmateriaal. |
Het verweringsmateriaal verplaatst zich onder invloed van veel water, waarbij de inwendige samenhang van het materiaal verloren gaat. Men spreekt van | vloeien van verweringsmateriaal. |
Verweringsmateriaal wordt vervoerd in stromend water. Er is sprake van hellingprocessen, zolang het (regen)water zich nog niet heeft samengevoegd tot beekjes. | Men spreekt van afspoelen van verweringsmateriaal. |
Transport door vallen geschiedt incidenteel, omdat het door verwering losgeraakt materiaal betreft. Sneeuw kan dit proces | het karakter geven van een lawine. |
In berggebieden kunnen er hele bergstortingen plaatsvinden meestal | langs een diaklaas of langs een ander hellend vlak. |
Een diaklaas is een breuk in een gesteente, waarlangs geen of nauwelijks beweging heeft plaatsgevonden, maar waar het gesteente | uit elkaar bewoog dankzij een extensief spanningsregime. |
| Kruipen van verweringsmateriaal | gebeurt vaak in de wanden van een groeve. |
Vloeien van verweringsmateriaal ontstaat, als de poriën van een los gesteente zijn gevuld met water en als er daarna | nog verdere toevoer van water is. |
Bij afvloeien van verweringsmateriaal kunnen ook modderstromen ontstaan, vooral als | de korrelgrootte gering is. |
Bij permafrost smelt In de lente de bovenste laag. Omdat het vrijkomende water niet in de bevroren ondergrond kan doordringen, zal de papperige massa van bodemmateriaal, water, sneeuw en ijs al bij een geringe helling (> 0,5%) hellingafwaarts vloeien. Deze periglaciale vorm van vloeien | noemt men gelifluctie of congelifluctie. |
Bij afspoelen van verweringsmateriaal krijgt men al gauw geultjes. | De Amerikanen noemen hellingen met zulke geultjes badlands. |
Badlands is een landschapsvorm die gekenmerkt wordt door een sterk | geërodeerde uit klei bestaande ondergrond, voornamelijk in semi-woestijn gebieden. |
Erosie door water en wind hebben tot gevolg dat in badlands geologische formaties | als canyons, ravijnen en hoodoos veelvuldig voorkomen. |
| Hoodoos | zijn smalle rotspilaren die op de bodem van kloven staan. |
Een kloof of een ravijn is een door erosie diep uitgesleten rivierdal met steile (rots)wanden. Grote kloven worden vaak met de term | cañon (Engels canyon) aangeduid. |
Een kloof is vaak de enige route door een gebergte, waardoor een | kloof van groot strategisch belang kan zijn. |
Een kloof leent zich uitstekend voor de bouw van | stuwdammen. |
Sediment, bestaande uit korrelig materiaal en puin, dat aan hellingsprocessen onderhevig is geweest noemt men | colluvium. |
| Slump is het afglijden van een in | stukken gebroken laag. |
| Hellingsprocessen worden beïnvloed door | klimaat: regenval, sneeuw, vorst, verdamping. |
Dichte vegetatie bevordert verwering, | maar remt het transport van de verweringsdeeltjes af. |
De onderlinge aantrekkingskracht tussen gelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding noemt men | cohesie. |
In de geologie is permeabiliteit de materiaaleigenschap van (voornamelijk) gesteente | om vloeistoffen te transporteren. |