Diergeografie

Diergeografie
BETEKENIS & DEFINITIE
Zoögeografie is de leer van de verspreiding van de dieren over de aarde. De diergeografie wordt onderverdeeld in de causale en de descriptieve diergeografie. De ecologische diergeografie bestudeert de ecologische omstandigheden (zie ecologie) waarin het dier leeft en tracht van hieruit het verspreidingspatroon te verklaren. De historische diergeografie houdt zich bezig met de omstandigheden en veranderingen in het geologische verleden, en verklaart de huidige verspreiding van organismen van gegevens over vroegere klimaats- en geofysische veranderingen en fossielen (b.v. ijstijd).

De descriptieve diergeografie omvat:
  • De chorologie (de beschrijving van het areaal waar een dier voorkomt);
  • De systematische diergeografie, die de verspreiding van taxa bestudeert, waardoor o..a. informatie wordt verkregen over allopatrie of sympatrie van bepaalde soorten;
  • De faunistiek, die niet uitgaat van een taxon, maar van een gebied, en een beschrijving geeft van de fauna van een bepaald gebied;
  • De biocoenotische diergeografie, die zich bezighoudt met het beschrijven van een levensgemeenschap, b.v. het arboreaal (biocoenose).

biogeografie
De biogeografie bestudeert de verspreidingspatronen van organismen, stelt vast welke groepen planten en dieren kenmerkend zijn voor de gebieden op het land en in de zee en gaat na hoe de tegenwoordige verspreiding is ontstaan. Geografische entiteiten als gebergtes of zeeën, en de veranderingen daarin (continentverschuiving), kunnen een grote invloed op de evolutie en de verspreiding van soorten hebben. Het areaal van soorten (en andere taxa) is daarom vaak afhankelijk van geografie.

Er zijn verschillende subvelden van de biogeografie te onderscheiden, zoals de zoögeografie (voor dieren) en fytogeografie of plantengeografie.

Inleiding
De patronen van de verspreiding van soorten over geografische gebieden kunnen worden verklaard door een combinatie van historische factoren en evolutie, bijvoorbeeld: soortvorming, uitsterven, continentverschuiving, ijstijden en de variaties in de zeespiegel, de loop van rivieren en verschillende leefgebieden in combinatie met de geografische beperkingen van landmassa's, isolatie en de beschikbare energievoorziening van het ecosysteem.

Biogeografie omvat studie van plant- en diersoorten in hun verleden, hun tussentijdse woonplaatsen en overlevingskansen. Bij biogeografie gaat het niet alleen om welke soorten, maar ook waardoor, waarom daar en waarom niet ergens anders?

Biogeografie is het best waarneembaar op de eilanden in de wereld. Deze leefgebieden zijn vaak een overzichtelijker gebied van studie, omdat deze leefgebieden meer geconcentreerd zijn dan grotere ecosystemen op het vasteland. Deze eilanden zijn ook ideaal om nieuwe soorten in een leefgebied te onderzoeken. Op deze manier kan men waarnemen hoe deze nieuwe soorten zich koloniseren en verspreiden naar andere delen van het eiland. Wat er op deze eilanden gebeurt met nieuwe soorten gebeurt ook op het vasteland. Eilanden zijn ook zeer divers in het aanbod van organismen en variërend van het tropische tot arctisch klimaat. Ook geïsoleerde berggebieden in een laaglandgebied of anderszins geïsoleerde gebieden kunnen als "eilanden" worden beschouwd, zoals de natuurgebieden in een uitgestrekt cultuurlandschap.

De moderne biogeografie maakt gebruik van geografische informatiesystemen (GIS). Geografische informatiesystemen worden gebruikt om de factoren die van invloed zijn op de verspreidingspatronen van organismen te vinden en om toekomstige trends te voorspellen in de distributie van organismen. Ecologische vraagstellingen met een ruimtelijk aspect worden vaak onderzocht met wiskundige modellen en GIS.

Onderzoeksgeschiedenis
Griekse denkers als Aristoteles en Hippocrates trachtten al te verklaren waarom er bijvoorbeeld olifanten voorkwamen in Afrika en Azië, maar niet in het tussengelegen gebied. In de Middeleeuwen ging men ervan uit dat alle soorten gered waren in de Ark van Noach en zich vandaar uit verspreid hadden over de wereld. De ontdekking van Amerika en de waarneming dat flora en fauna daar sterk verschilden van die van de Oude Wereld vroeg om een herziening van die visie. De Duitse botanicus Gmelin stelde in 1747 voor dat er meerdere centra van schepping geweest konden zijn. Dat idee werd vooral door de Franse natuuronderzoeker Buffon naar voren geschoven.

De eerste moderne geobotanicus was von Humboldt. Aan het begin van de 19de eeuw legde hij een systematisch verband tussen het voorkomen van planten enerzijds en de lengte- en breedtegraad en het klimaat anderzijds. Dat vakgebied heet tegenwoordig plantengeografie of floristische geobotanie.

Onafhankelijk hiervan kwam ook de zoögeografie tot ontwikkeling. Darwin zag op zijn reis met de Beagle dat de soorten in de gematigde zones van Zuid-Amerika meer verwant waren met soorten uit de tropische zones van datzelfde continent, dan met soorten uit de gematigde zones van Noord-Amerika. Deze waarneming heeft bijgedragen aan zijn formulering van de evolutietheorie.

Zie ook Eilandbiogeografie
In 1967 werd het boek The Theory of Island Biogeography van MacArthur en Wilson gepubliceerd, waarin een verband werd gelegd tussen de biologische diversiteit, de oppervlakte van een eiland, en de afstand van dat eiland tot het vasteland of een ander eiland. Het aantal soorten op een eiland wordt bepaald door uitsterven en immigratie van nieuwe soorten. Een grotere oppervlakte en een kleinere afstand tot het vasteland leiden beide tot een hogere biodiversiteit. Op deze theorie is het Nederlandse beleid voor de ecologische hoofdstructuur terug te leiden: ecologische verbindingszones tussen natuurgebieden (die worden gezien als eilanden) moeten leiden tot verhoging van de biodiversiteit.

Soorten biogeografie
Biogeografie kan onderverdeeld in zoögeografie en plantengeografie.

Zoögeografie is het bestuderen van de verspreiding van dieren over de wereld. Hierbij gaat het om de anatomie, de embryologie, evolutie, classificatie, gewoonten en de distributie van alle diersoorten, zowel levende als uitgestorven. Plantengeografie is het bestuderen van de verspreiding van planten over de wereld, de verklaring daarvan (paleobotanie) en van hun invloed op het aardoppervlak.

Paleobiogeografie
Paleobiogeografie (paleo = oud) gaat nog een stap verder. Hierbij wordt gebruikgemaakt van paleobiogeografische gegevens en platentektoniek. Met behulp van moleculaire analyses en studie van fossielen is het mogelijk geweest aan te tonen dat vogels die op een tak kunnen zitten zich eerst ontwikkelden in Australië en de aangrenzende Antarctische wateren. Van hieruit hebben deze vogels zich verspreid naar andere continenten.

Classificatie
Biogeografie is een synthetische wetenschap, met relaties met (bio)systematiek, evolutiebiologie, ecologie, geologie, fysische geografie, bodemkunde en klimatologie. Een aantal concepten in biogeografie zijn:

Evolutie - verandering in de genetische samenstelling van een populatie.
Populatiebiologie, onder andere:
  • Uitsterven - verdwijnen van een populatie of van een soort.
  • Migratie - verplaatsing van populaties vanaf de plaats van oorsprong.
  • Verspreidingsgebieden of arealen - het gebied waarin een taxon (zoals soort, geslacht, familie) wordt aangetroffen.
  • Disjunctie - het verspreidingsgebied van een taxon is niet aaneengesloten, maar in twee of meer stukken verdeeld.
  • Endemisme - het van nature uitsluitend voorkomen van een taxon in één afgegrensd, meestal beperkt, geografisch gebied.
  • Kosmopolitisme - het verspreidingsgebied van een soort, geslacht of familie beslaat bijna de gehele wereld.
  • Geodispersal - de erosie van belemmeringen voor de geografische verspreiding en de mate waarin genen uitgewisseld kunnen worden tussen verschillende populaties.
  • Vicariantie - de vorming van belemmeringen voor biotische verspreiding en de mate waarin genen uitgewisseld kunnen worden tussen verschillende populaties, wat leidt tot soortvorming en uitsterven.

Bestudeer eerst bovenstaande cursus.
Vul de gaten in. Druk dan op de toets "Controleer" om je antwoorden te controleren. Gebruik wanneer aanwezig, de "Hints"-knop om een extra letter te krijgen, wanneer je het lastig vindt om een antwoord te geven. Je kan ook op de "[?]"-knop drukken om een aanwijzing te krijgen. Let wel: je verliest punten, wanneer je hints of aanwijzingen vraagt!

MEN KAN DE OEFENING OOK OPNIEUW MAKEN, DOOR MET DE RECHTERMUISTOETS OP HET SCHERM TE KLIKKEN EN DAN IN HET GEOPENDE VENSTER , INDIEN HET WOORD ER STAAT, TE KLIKKEN OP "VERNIEUWEN"
   bont      casestudies      culturele ecologie      dierenbeschermingsbeweging      ecosystemen      evolutie      mensen      natuurtoerisme      nomadische      planeet      sedentaire      verspreiding      zoögeografie      zuivelproductie   
Diergeografie is een deelgebied van de natuur-maatschappij/mens-omgeving tak van geografie, evenals een deel van de grotere, interdisciplinaire paraplu van mens-dierstudies (HAS). Diergeografie wordt gedefinieerd als de studie van "de complexe verstrengeling van mens-dierrelaties met ruimte, plaats, locatie, omgeving en landschap" of "de studie van waar, wanneer, waarom en hoe niet-menselijke dieren de menselijke samenlevingen kruisen.” Recent werk bevordert deze perspectieven om te argumenteren over een ecologie van relaties waarin mensen en dieren verstrikt zijn, waarbij de leefruimten van dieren zelf en hun bewuste interacties met niet alleen menselijke maar ook andere niet-menselijke lichamen serieus worden genomen. De Animal Geography Specialty Group van de Association of American Geographers werd in 2009 opgericht door Monica Ogra en Julie Urbanik. Het Animal Geography Research Network werd in 2011 opgericht door Daniel Allen.

Eerste golf van dierlijke geografie
De eerste golf van dierlijke geografie, bekend als , kwam vanaf het einde van de 19e eeuw tot het begin van de 20e eeuw op de voorgrond als een geografisch subveld. Gedurende deze tijd werd de studie van dieren gezien als een belangrijk onderdeel van de discipline en het doel was "de wetenschappelijke studie van het dierenleven met verwijzing naar de van dieren op aarde en de wederzijdse invloed van omgeving en dieren op elkaar." De dieren die de focus van studies waren, waren bijna uitsluitend wilde dierenen zoögeografen bouwden voort op de nieuwe theorieën over en natuurlijke selectie. Ze brachten de evolutie en beweging van soorten door tijd en ruimte in kaart en probeerden ook te begrijpen hoe dieren zich aanpasten aan verschillende van ruimtelijke co-variatie tussen dieren en andere omgevingsfactoren".

Tegen het midden van de 20e eeuw begonnen opkomende disciplines zoals biologie en zoölogie de traditionele zoögeografische catalogisering van soorten, hun verspreiding en ecologie op zich te nemen. In de geografie bestaat zoögeografie tegenwoordig als het levendige deelgebied van de biogeografie .

Tweede golf van dierlijke geografie
Het midden van de 20e eeuw zag een wending van zoögeografie (terwijl het nooit volledig werd opgegeven) naar vragen over en interesse in de impact van op dieren in het wild en in menselijke relaties met vee. Twee belangrijke geografen die deze golf van dierlijke geografie vormgeven, waren Carl Sauer en Charles Bennett. Sauer's interesse in het culturele landschap - of (hoe menselijke culturen worden gevormd en worden gevormd door hun omgeving) - hield noodzakelijkerwijs in dat het onderwerp van de domesticatie van dieren werd aangepakt. In Sauer's onderzoek richtte hij zich op de geschiedenis van domesticatie en hoe menselijk gebruik van vee het landschap heeft gevormd (via omheiningen, begrazing en schuilplaatsen). Bennett pleitte voor een 'culturele dierengeografie' die zich richtte op de interacties tussen dieren en menselijke culturen, zoals jagen en vissen voor eigen gebruik. De verschuiving van de eerste golf naar de tweede golf van diergeografie had te maken met de soort die werd bestudeerd. Geografie van de tweede golf van dieren bracht gedomesticeerd vee in het zicht in plaats van zich alleen te concentreren op dieren in het wild. Gedurende de volgende decennia werd de geografie van dieren, als culturele ecologie, gedomineerd door onderzoek naar de oorsprong van domesticatie, culturele rituelen rond domesticatie en verschillende culturen met betrekking tot veeteelt ( versus hoeden).

Derde golf van dierlijke geografie
In het begin van de jaren negentig gebeurden er verschillende dingen die geografen met interesse in dieren en mens-dierrelaties ertoe brachten te heroverwegen wat mogelijk was binnen dierlijke geografie. In de jaren '80 en het begin van de jaren '90 kwam de wereldwijde op, die alles aanpakte, van overbevolking van huisdieren tot het redden van bedreigde diersoorten, het blootstellen van wreedheid jegens dieren in de industriële landbouw intensieve veehouderijen of geconcentreerde diervoedingsactiviteiten), en protesteren tegen circussen, het gebruik van , en jagen - allemaal een poging om de zichtbaarheid van hoe mensen niet-menselijke anderen behandelen bij het grote publiek te vergroten. In de academie, biologen en ethologen bestudeerden het gedrag van dieren en het verlies/ontdekking van soorten om het bewustzijn te vergroten over het ervaringsleven van dieren en hun gevaarlijke bestaan ​​naast mensen. Sociale wetenschappers waren aan het heroverwegen wat het betekent om een ​​subject te zijn en braken door in de zwarte doos van de natuur om nieuwe inzichten in de relaties tussen mensen en de rest van de te onderzoeken. Diergeografen realiseerden zich dat er een heel spectrum van mens-dierrelaties was die vanuit een geografisch perspectief bekeken moesten worden.

De twee belangrijkste kenmerken van de derde golf van diergeografie die het onderscheidt van de eerdere golven zijn:
  1. een uitgebreid begrip van mens-dierrelaties om alle tijdsperioden en locaties van mens-dierontmoetingen te omvatten (in plaats van alleen dieren in het wild of vee),
  2. pogingen om de dieren zelf als proefpersonen binnen te halen. Sinds de publicatie van 1995 is er een explosie van en theorievorming geweest.

  3. Aandachtsgebieden
    Er zijn momenteel negen aandachtsgebieden binnen de geografie van dieren:

    1. Theoretiseren van dierengeografie. Een belangrijk werk dat ingaat op hoe te denken over mens-dierrelaties als geheel zijn Whatmore's Hybrid Geographies.
    2. Stedelijke dierengeografie. Onderzoekers op dit gebied proberen te begrijpen dat steden, historisch en vandaag de dag, ruimten met meerdere soorten zijn. Theoretisch werk komt van Wolch et al. over wat een transspecies-stedelijke theorie inhoudt en Wolch over het manifesteren van een stad met meerdere soorten, samen met Philo's werk over de historische context voor het verwijderen van vee uit de stad.
    3. Dierenethiek. Hoe ruimte, plaats en tijd bepalen welke praktijken op andere soorten goed of fout zijn, is de zorg van dit gebied. Artikelen van Lynn over wat hij noemt geo-ethiek en Jones over wat hij noemt een ethiek van ontmoeting zijn een goed begin.
    4. Menselijke identiteiten en dieren. Hoe mensen dieren gebruiken om zichzelf te identificeren als mensen of om onderscheid te maken tussen menselijke groepen heeft een fascinerende geografische geschiedenis. Brown en Rasmussen onderzoeken de kwestie van bestialiteit, Elder en anderen onderzoeken hoe dieren worden gebruikt om menselijke groepen te discrimineren, en Neo onderzoekt hoe etniciteit een rol speelt bij de varkensproductie in Maleisië. Anderen zoals Barua beweren dat de identiteit van dieren kosmopolitisch kan zijn, gevormd door de circulatie van dieren en hun contact met uiteenlopende culturen. Dit zijn allemaal uitstekende casestudies.
    5. Dieren als onderwerpen. Een van de moeilijkste aspecten van het bestuderen van dieren is het feit dat ze niet in mensentaal tegen ons kunnen praten. Diergeografen hebben onderzocht hoe ze precies kunnen omgaan met het feit dat individuen van andere soorten experiëntiële entiteiten zijn. Voorbeelden hiervan zijn werk van Barua over olifanten, Hinchliffe over watermuizen, en Lorimer over niet-menselijk charisma. Geografen worstelen ook met de vraag hoe de levens van dieren in het verleden kunnen worden gereconstrueerd, hoe deze levens kunnen worden herrezen uit het historische verslag en hoe de ruimtelijk gesitueerde mens-dierrelaties in de loop van de tijd zijn veranderd.
    6. Huisdieren. Een van de meest intieme relaties die mensen met andere soorten hebben, is vaak via de dieren die in hun huizen leven. Hoe we deze dieren hebben gevormd om te passen bij de menselijke levensstijl en wat dit betekent voor het onderhandelen over een meer dan menselijk bestaan, is hier de zorg. Belangrijke artikelen zijn onder meer Fox over honden, Lulka over de American Kennel Club, en Nast over kritische huisdierstudies.
    7. Lastdieren. Menselijk gebruik van andere soorten als arbeid is zowel historisch als tegenwoordig vrij uitgebreid. Van het kappenivoortanden bij olifanten tot laboratoriummuizen en dierentuindieren tot militaire honden en trekdieren, de ruimtes en plaatsen van hoe dieren voor ons werken, maken fascinerende geografieën. Zie voor inzicht Anderson's werk over dierentuinen, Davies' werk over virtuele dierentuinen en laboratoriummuizen, en Urbanik's werk over de politiek van dierlijke biotechnologie.
    8. Gekweekte dieren. De manier waarop we dieren fokken en houden – zowel als voedsel als voor hun onderdelen (bijv. bont) – is de grootste categorie van daadwerkelijk gebruik van dieren. Onderzoek op dit gebied heeft zich gericht op de ontwikkeling van industriële landbouwsystemen, de ethiek van het consumeren van dieren en hoe relaties tussen dieren van invloed zijn op noties van plaats. Buller en Morris bespreken het welzijn van landbouwhuisdieren, Holloway onderzoekt technologische vooruitgang in de , Hovorka kijkt naar stadsvee in Afrika, en Yarwood. het weiland verkennen.
    9. Wilde dieren. Tot op heden hebben diergeografen het meeste werk verricht met deze categorie mens-dierrelaties. Van theoretische verkenningen van de classificatie van dieren in het wild tot casestudies van conflicten tussen mens en natuur, tot bepaalde geografieën van mens en wilde dieren, dit is een dynamische weg gebleken.