

Een es (ook: eng of enk (het
Gooi,
Veluwe,
Salland,
Achterhoek,
Twente), akker (
Noord-Brabant), veld (
Limburg) of
kouter (
Vlaanderen)) is een hoog gelegen akker, te vinden op de zandgronden van Noord-, Oost-, Midden- en Zuid-Nederland en
Vlaanderen. Internationaal gezien komen essen voor in grote delen van Noord-, West- en Oost-Europa.
OntstaanOver het ontstaan van de essen in de lage landen is nog betrekkelijk weinig bekend. De
Drentse essen zijn het best onderzocht. De oudste kernen van de es dateren aldaar uit het eerste
millennium na de
jaartelling. Het ging daarbij om een aantal kleine, vierkante of rechthoekige percelen met een lengte-breedte-verhouding van 80 tot 120 meter en een oppervlakte van 0,75 tot 1,5 hectare. Ze liggen doorgaans op enige afstand van de huidige
esdorpen, omdat ze dateren uit een periode waarin de bebouwing nog regelmatig verschoof. De tweede fase betreft de zogenaamde
woerden (terpen). Deze werden aangelegd toen de bewoning aan het einde van het eerste millennium fixeerde. We moeten deze percelen van ongeveer een tot twee hectare dan ook bij het huidige erf zoeken. Vermoedelijk werd het perceel voor speciale teelten gebruikt.
De volgende fasen, beginnend in de
volle middeleeuwen, hebben geleid tot de klassieke es zoals we die kennen. De blok- of strookvormige percelen werden meer en meer collectief bebouwd en nabeweid, maar waren niet, zoals men wel denkt, collectief eigendom. Door de talloze omheiningen die zich op de oudere delen van de es en om het jongere deel van de es bevonden, moeten we eraan denken, dat de 'open es' een zeer tijdsgebonden beeld uit voornamelijk de laatste eeuwen is.
Afhankelijk van de streek in de lage landen en het historische moment waarop intensivering van het gebruik nodig was, deed de
plaggenbemesting zijn intrede. In Noord-Brabant kan dat al in de
13e of
14e eeuw nodig zijn geweest, in Drenthe niet vóór de
17e eeuw. Het bestaan van essen is dus niet noodzakelijk altijd verbonden aan het voorkomen van
plaggenbodems of
potstalmest, hetgeen verklaart waarom de term esdek voor de ophogingslaag eigenlijk foutief is.
De plaggen werden aanvankelijk nog vaak in de
beekdalen gestoken, doch later werd dit op veel plekken verboden. Het steken van plaggen gebeurde daardoor voornamelijk op de veel schralere heidevelden, ook de primaire gronden voor beweiding door
schapen en heide
koeien.
BenamingDe "Bolle Es" van boerderij "Eskes" bij Bredevoort.
Het woord "es" heeft een vergelijkbare herkomst als het
Gotische woord atisk, dat "zaailand" betekende. In Noord-Nederland en Oost-
Friesland komt de Oudfriese vorm esk voor. Er zijn in Nederland nog maar een paar plaatsen die de oorspronkelijke spelling nog dragen:
Roderesch, Zuideresch,
Westenesch. Het bestanddeel -ink in veel Oost-Nederlandse plaats- en achternamen heeft geen relatie met het woord enk; zie onder:
patroniem.
Naast de essen komen ook kleinere percelen
bouwland voor. In
Salland, de Achterhoek en
Twente behoorden sommige bouwlandcomplexjes tot maar één boerderij. Deze individuele omheinde essen worden ook kampen (van het Latijnse woord voor veld, campus) genoemd. Hiervan afgeleid kent men het kampenlandschap (landschap met verspreid liggende erven) alsook de streeknaam de
Kempen.
EswalEssen worden omgeven door een eswal, ook wel wildgraaf of
wildwal geheten, die ervoor moest zorgen dat
wild of het eigen
vee het bouwland niet konden betreden. Ook moest de eswal verstuiving tegengaan, zodat de vruchtbare grond niet zou verdwijnen. De wildwal, ook wel
houtwal genoemd, ontstaat door de ophoping van afgesneden hout dat werd gestapeld langszij het veld, en dat dan langzaam wordt verteerd. Eenmaal verteerd, en omdat die strook grond niet wordt bewerkt, vestigt zich daar allerhande vegetatie en nadien bomen. Ook worden walstroken doelbewust meteen met struiken beplant.

Een raatakker (ook: Celtic field) is een kleine, min of meer vierkante of rechthoekige aaneensluitende akker zoals die vanaf de Late
Bronstijd tot in de
Romeinse tijd als landbouwsysteem werd gebruikt voor de verbouw van primitieve graansoorten als
emmertarwe en
spelt. Akkers van dit type komen voor in
Noordwest-Europa en een aantal landen daaromheen.
BenamingenDe aanduiding raatakker verwijst naar de raatstructuur van de percelen. Het is de door J. Wieringa in de jaren vijftig bedachte Nederlandse benaming voor de oudere maar foutieve naam Celtic field (Keltisch veld) die in 1923 door Engelse archeologen bedacht is. Dit Celtic fields bleek een pertinent onjuiste benaming aangezien spoedig duidelijk werd dat de akkers niets met Kelten (Eng.: Celts) te maken hebben. Toch heeft raatakker de onjuiste Engelse benaming nooit helemaal kunnen vervangen.
Johan Picardt beschouwde de raatakkers in zijn boek Annales Drenthiae (1660) als
legersteden of woonplaatsen van bevolkingsgroepen in een voorchristelijk verleden. In de
18e eeuw werden de raatakkers in verband gebracht met de
Romeinen, vandaar dat ze op oude kaarten wel worden aangeduid als Romeinsche legerplaats. In de
19e en
20e eeuw werd duidelijk dat het geen legerplaatsen waren geweest, waardoor
archeoloog Albert van Giffen er de extra aanduiding zogenaamde aan gaf.
GebiedenRaatakkers zijn aangetroffen in
Groot-Brittannië,
Ierland,
België,
Nederland,
Duitsland,
Denemarken,
Zweden,
Polen en in de
Baltische staten.
KenmerkenEen groot veld van minstens enkele hectaren werd deels in kleinere percelen verdeeld, die zo'n 35 bij 35 tot 50 bij 50 meter groot waren. Wanneer de akkergrond uitgeput raakte werd die opzij geschoven, waarbij aarden wallen ontstonden, en werden er van elders aangevoerde vruchtbare zoden op gelegd. Omdat zand vocht niet goed vasthoudt kon met het aanbrengen van nieuwe zoden bij raatakkers op zandgronden meteen een betere vochtregulatie op de akker ontstaan. De wallen zijn soms nog terug te vinden, zoals op het
Noordsche Veld bij
Norg; vaak is het wallenstelsel alleen nog aan de verkleuring van de grond te zien.
Eén of meer 'raten' van een veld konden gebruikt worden om er een behuizing te bouwen; was deze boerderij of hut versleten, dan werd er met het bruikbare materiaal een nieuwe gebouwd op een andere, uitgeputte akker, en de beschikbare grond was door decennia bewoning weer vruchtbaar geworden ('
zwervende erven').
BelgiëIn de
Belgische provincie Limburg zijn raatakkers aangetroffen, ongeveer 1 km ten zuiden van
archeologisch park de Rieten te
Wijshagen. Het is een van de grootste akkercomplexen uit de
prehistorie die in de
Kempen gevonden zijn.Ten oosten van Wijshagen, in het bosgebied tussen de dorpen
Neerglabbeek,
Opitter en
Neeroeteren ligt ook een groot complex aan raatakkers. Ten noordoosten van Neeroeteren, gemeente
Maaseik ligt in een gebied ten oosten van de Kinrooiersteenweg en ten zuiden van de
Itterbeek een raatakker. Tevens is er een vrij groot complex te vinden ten oosten van
Opoeteren, tussen Opoeteren en
natuurgebied Bergerven. Daarnaast zijn in het Lindelsebos ten zuidwesten van
Neerpelt en in het
Kolisbos ten oosten van Neerpelt raatakkercomplexen te vinden. De raatakkers zijn goed waar te nemen met de website van
EODaS.
DuitslandVeel Duitse raatakkers zijn geconstateerd op de zandgronden in het grensgebied met Nederlands Limburg. In het
Reichswald aan de Kartenspielerweg net over de grens bij
Gennep ligt een raatakkercomplex en in het Reichswald tussen
Nütterden en
Kleef, is een akkercomplex van 33 hectare aangetroffen.Ten zuidwesten van
Elmpt, over de grens bij
Asenray, ligt een grote raatakker.
NederlandIn Nederland zijn duizenden hectaren raatakkers bekend. Vooral in
Drenthe en in
Overijssel, op de
Veluwe, de
Utrechtse Heuvelrug en
Limburg zijn grote aantallen raatakkers gevonden, vooral op de
zandgronden, evenals in de
Achterhoek. De akkercomplexen zijn dankzij nieuwe technieken als
laseraltimetrie en met behulp van de website
ahn.nl (Actueel Hoogtebestand Nederland) duidelijk te zien. Een doorbraak in het archeologisch onderzoek naar raatakkers komt in 2014 van archeoloog
Stijn Arnoldussen van de Rijksuniversiteit Groningen. Door een speciale techniek waarmee de ouderdom van zandkorrels is vast te stellen ontdekte Arnoldussen dat de wallen van het raatakkercomplex bij
Wekerom-
Lunteren meer dan 3100 jaar geleden werden opgeworpen en nadien honderden jaren in gebruik zijn geweest. Arnoldussen is de eerste archeoloog die de ouderdom van Nederlandse raatakker-complexen betrouwbaar heeft kunnen vaststellen. Ondanks deze belangrijke ontdekkingen is er volgens de onderzoekers nog genoeg te leren. “We weten nu de ouderdom van enkele wallen uit twee Nederlandse raatakkers, maar hoe precies de agrarische gebruikswijze was (werden er nog andere gewassen verbouwd, en waar woonden de mensen die hier akkerden?) en wat er in Celtic fields in andere delen van Nederland gebeurd, is nog steeds niet bekend”, aldus Arnoldussen. Bevolkingsgroei was in het verleden wellicht een reden om dit intensievere en efficiëntere systeem van landbouw te gaan gebruiken. Behalve de bovengenoemde cultuurgewassen zijn ook sporen aangetroffen van het verbouwen van bedekte
gerst,
duivenboon,
pluimgierst en
huttentut. Tijdens de laatste periode waarin raatakkers werden gebruikt werd ook
rogge geteeld.
Een verhoogde akker is een kunstmatige ophoping van grond op een stuk land om akkerbouw in een
drasland mogelijk te maken. De verhoging dient om de akker beter af te wateren. Het aanleggen van verhoogde akkers wordt al heel lang toegepast. Ze zijn bijvoorbeeld al sinds 1000 v.Chr. rond het
Titicacameer op de grens van
Bolivia en
Peru aangelegd, met name door de
Tiwanakucultuur. Ook in
Suriname en
Frans-Guyana worden ze teruggevonden.