| Een verharde weg vaak voor het eerst aangelegd tijdens het bewind van Napoleon Bonaparte (1799-1814). | Napoleonsweg. |
| Een type weg en meerdere wegen in Nederland en Noord-Duitsland hebben deze als naam gekregen. Deze naam wordt op verschillende manieren verklaard. Traditioneel is de verklaring dat de naam naar kooplieden verwijst die afkomstig waren uit het Landgraafschap Hessen-Kassel of omgeving. | Hessenweg. |
| Een verharde langeafstandsweg in het Romeinse Rijk. | Heerweg, heirbaan of heerstraat. |
| De rand van een kanaal, rivier of meer. | Oever. |
| De oever die zich bevindt in de binnenbocht van een beek of rivier waar de stroming het geringst is. | Glij-oever of bolle oever. |
| De benaming voor de oever van een rivier of beek waar de stroming van het water vlak bij loopt. | Stootoever of holle oever. |
| Een natuurlijke landschapsvorm die ontstaat langs meanderende rivieren. | Oeverwal. |
| Ontstaat door zandafzetting door een rivier. Dit zand gaat, wanneer het droog is en het waait, stuiven. Dit opgewaaide zand vormt een heuvel met een eigen biotoop. | Rivierduin. |
| Een gebied dat zich bevindt binnen een (vroegere) meander van een rivier en dat een reliëfrijk landschap van stroomruggen en dalen te zien geeft. | Kronkelwaard. |
| Een hoger gelegen zone in een voormalig wadgebied. | Kreekrug. |
| De oever van een rivier of beek die over de kwelder loopt. | Kwelderwal. |
| Een in het landschap zichtbare voormalige rivierloop met oeverwallen, gekenmerkt door de verhoogde ligging. | Stroomrug. |
| Een op natuurlijke wijze ontstaan bos langs rivieren. | Ooibos. |
| Een bos dat een strook vormt langs rivieren of wetlands en voorkomt in landschappen die doorgaans weinig bosrijk zijn, zoals bijvoorbeeld savannes. | Galerijbos. |
| Een permanent nat en af en toe plaatselijk overstroomd bos. | Broekbos. |
| Een dijk die min of meer haaks op een zeewaterwerende dijk staat en tegelijk een verbinding vormt met de slaperdijk. | Opdijk. |
| Een kanaal dat min of meer haaks op een ander kanaal staat. | Opvaart. |
| Een gebouw waar men 's winters de kuipplanten bewaart, die 's zomers buiten staan. | Oranjerie, orangerie of wintertuin. |
| De weg die om een wierde, aan de voet hiervan is gelegen. | Ossengang. |
| Een waterbouwkundig kunstwerk dat als doel heeft de waterspiegel in een loop, beek of rivier te beïnvloeden. | Stuw of overlaat. |
| Een gelijkvloerse kruising van een spoorlijn met een weg. | Overweg of spoorwegovergang. |
| Een zandrug of duin in een halvemaanvorm. Dit duintype bestaat net als sikkelduinen uit twee hoorns. | Paraboolduin. |
| Een klein met bomen begroeid en vaak met een ringsloot omzoomd stuk land, meestal gelegen aan de rand van een weide. | Pestbosje of miltvuurbosje (ook krengenbosje, rustbosje, veepestbosje of koebosje). |
| Komen voor in het veenlandschap, ze hebben daar vaak grote veenplassen gevormd. Deze plassen worden, voor zover niet drooggelegd, dikwijls beheerd als recreatie- of natuurgebied. | Petgaten of trekgaten. |
| Een halfronde, meestal gemetselde, lage brug. | Pijp (brug). |